Padden

Padden

padden

De pad is een amfibie en is familie van de kikker.
Hij komt samen met de boomkikker het meest voor.
Hij heeft een opvallend dik lichaam.  De kop is groot en breed en heeft twee grote ogen met een oranje kleur.  Achter het oog ligt het oor, maar dat kan je heel moeilijk zien.  Daar ligt ook een soort gifklier dat gif spuit als de pad zich verdedigt.

De voorpoten zijn klein met korte tenen.  De achterpoten hebben zwemvliezen.  Ze hebben op hun huid allemaal wratten zitten.
De huid is zeer ruw en droog.  In de paartijd wordt de huid gladder.  Het hele lichaam is bedekt met allerlei wratten.
Dit zijn de slijmklieren.  Ze smeren af en toe de huid.
De meeste padden worden zo groot als je hand.
De vrouwtjes worden het grootst.

Er zijn verschillende soorten : de gewone pad, de rugstreeppad,
de groene pad, de vroedmeesterpad, de knoflookpad,
de geelbuikvuurpad.

soorten padden :

padden         —           enkele van de vele soorten

Agapad

Amerikaanse pad

Boulengers klompvoetkikker

Bruine beekpad

Fowler’s pad

Gewone pad

Grijze beekpadden

Groene pad

Klompvoetkikker

Rugstreeppad

De gewone pad vind je op vele plaatsen : weilanden, akkers,  duinen, bossen en heidegebieden.  Om te paren kiest ze poelen, sloten, grachten, vijvers en kleiputten.  Het liefst vrij diep met in het water lange planten waaraan de pad haar eitjes kan vastzetten.  Padden leggen hun eieren af in snoeren.  De eisnoeren zijn soms 3 tot 4 m lang en hebben duizenden eitjes.

De roep van de gewone pad is niet luid, het lijkt op “oink-oink-oink”.  Dit komt vooral omdat ze geen echte kwaakblaas hebben.  Het lijkt een beetje op een klein hondje dat blaft.