De springspitsmuizen

De springspitsmuizen

https://nl.wikipedia.org/wiki/Springspitsmuizen

De springspitsmuizen zijn een groep zoogdieren die ook wel eens de olifantspitsmuizen worden genoemd.  Ze komen enkel voor in Afrika en eten vooral insecten.  Ze hebben een lange snuit en lange achterpoten.  Die gebruiken ze om flinke sprongen te maken.  Ze lijken op spitsmuizen, maar zijn duidelijk groter.  Hun snuit is lang en lijkt wat op een klein slurfje.  Hun vacht is gestreept of gevlekt.

De mannetjes gaan op vele plekken plassen om hun sporen achter te laten.  Buiten Afrika zijn deze diertjes niet te vinden.  Van de woestijn tot de rotsen en van de savannes tot de oerwouden vind je deze dieren.  Ze leven meestal per twee binnen een grote familie.

Ze springen net als de kangoeroes.  Ze kunnen stappen op alle vier hun poten of ze maken grote sprongen met hun achterpoten.  Dit doen ze wanneer ze moeten vluchten voor een vijand.  In de struiken hebben ze allerlei paadjes aangelegd die zij alleen kennen.  Als ze moeten vluchten, kan de vijand hen na een tijdje niet meer terugvinden.  Om de andere springspitsmuizen te verwittigen voor de vijand, trappelen ze hard op de grond met hun achterpoten.

Vooral insecten zoals mieren, termieten en kevers vinden ze lekker.  Maar ook vruchten en zaden lusten ze best.  Grotere dieren jagen ook op slakken.  Het paren gaat prima.  Ze kunnen flink wat jongen hebben het hele jaar door.  Hoog in de bergen waar het wat kouder is, hebben de dieren minder jongen.  In het wild worden ze niet zo oud.

soorten springspitsmuizen :

kortneusolifantspitsmuis

Kaapse olifantspitsmuis

Zuid-Afrikaanse olifantspitsmuis

Somaliolifantspitsmuis

Noord-Afrikaanse olifantspitsmuis

rosse olifantspitsmuis

klipolifantspitsmuis

slurfspitsmuis

viertenige olifantspitsmuis

 

Olifantspitsmuizen

Andere namen springspitsmuizen; klaasneuzen
Wetenschappelijk Macroscelidea; Macroscelididae
Engels elephant-shrews
Verspreiding Afrika
Voedsel ongewervelde dieren
Aantal soorten 15

Deze dieren – die uitsluitend in Afrika voorkomen – lijken spitsmuizen met een lange beweeglijke snuit. Ze zijn echter helemaal niet verwant aan muizen of spitsmuizen (en zeker niet aan olifanten). Hoewel ze overdag actief zijn, laten ze zich niet makkelijk zien. Ze houden er een territorium op na waar ze snel doorheen rennen.

4896510515_b7eb756eb1

Hond, spitsmuis, kangoeroe, olifant Rhynchocyon betekent letterlijk ‘hondensnuit.’ Inderdaad heeft de kop wel wat weg van een hond. De grote olifantspitsmuis kan als een kangoeroe sprongen maken, geen gewone sprongen, maar reuzensprongen. Die capaciteiten heeft het te danken aan verlengde scheenbenen en middenvoetsbeentjes. De lange achterpoten werken als een soort polsstokken. De 19-26 centimeter lange staart houdt het dier tijdens het springen in balans. De kop-romplengte bedraagt 23-32 centimeter, het gewicht 320-440 gram.

Rhynchocyon is één van de vier geslachten binnen de groep van de olifantspitsmuizen. Vanwege hun (oppervlakkige) gelijkenis met honden worden ze ook wel slurfhondjes genoemd. Net als bij de olifant wordt de slurf gevormd door de verlengde bovenlip. De slurf is erg beweeglijk en gevoelig. Aan het uiteinde is de slurf kaal, maar aan het begin staat een groot aantal lange tastharen. Ook de grote ogen en oorschelpen zorgen voor goede waarneming.

Onder de staartwortel zitten geurklieren, waardoor vooral de mannetjes sterk naar muskus ruiken. De vacht is geelgrijs tot donkerbruin en bestaat uit korte, dikke haren. Over de rug lopen donkere banden, afgewisseld met lichte, soms witte vlekken. Ze geven de vacht een mooi patroon. Overigens zijn er wel kleurverschillen tussen populaties. Olifantspitsmuizen in Tanzania en Mozambique hebben een oranjerode vacht die bezaaid is met zwarte vlekken, maar bij olifantspitsmuizen uit de Democratische Republiek Congo is nauwelijks een patroon te zien vanwege de donkere vacht.

 

Verspreiding

Olifantspitsmuizen komen uitsluitend voor in Afrika. Ze leven verspreid van Noord-Mozambique en Zuid- en Zuidwest-Tanzania, Malawi en Noordoost-Zambia tot Noord- en Oost-Congo en Oeganda. Er zijn zes ondersoorten bekend. De grote olifantspitsmuizen komt voor in Mozambique. Beide syntypen zijn verzameld in Bororo, een district in Mozambique.

Neuzen naar eten

Grote olifantspitsmuizen behoren tot de hoogst ontwikkelde insecteneters. Zulke vormen uit de oude orde van de insectivoren laten ons zien hoe de voorouders van alle hogere zoogdieren eruit zagen en hoe ze mogelijk leefden. Veel insectivoren zijn nachtdieren, maar de grote olifantspitsmuis is vooral overdag actief. Op de bosbodem zoekt hij in zijn eentje of in kleine groepen naar insecten, vooral sprinkhanen en rupsen. Het is een nogal nerveus dier, continu in beweging en speurend naar een smakelijk hapje. Bij het speuren komt zijn fijne neus goed van pas. Als een varken wroet hij ermee in de bodem. Daarnaast scharrelt hij tussen stenen en in spleten. De dieren laten elkaar voortdurend weten waar ze zijn door klikkende en piepende geluidjes uit te stoten. Ze hebben een voorkeur voor oevers van droge rivierbeddingen. Die zijn bij voorkeur met struiken begroeid, zodat de dieren zich gemakkelijk schuil kunnen houden. Het zand moet ook los zijn, want ze graven tunnels onder de struiken. Er is altijd een verticale nooduitgang, zodat ze bij gevaar kunnen ontsnappen. Het wijfje werpt na een draagtijd van ongeveer twee maanden een of twee jongen. Ze zijn geheel behaard en lopen meteen levendig rond.

 

Een oude groep

Insecteneters zijn de primitiefste van de nu levende zoogdieren, maar evolutionair gezien vormen ze geen eenheid: soorten die op elkaar lijken, zijn in de loop van de geologische geschiedenis uit verschillende voorlopers ontstaan, zoals fossielen hebben aangetoond. Met hun huidige specialisatie tonen de insecteneters met hun primitieve kenmerken een doorsnede van de oude ontwikkelingsvormen van de hogere zoogdieren. Olifantspitsmuizen kunnen van geen fossiele of nog levende groep worden afgeleid. Zij vertonen en zekere verwantschap met de toepaja’s (Tupaiidae), waartoe ze vroeger werden gerekend. Omdat toepaja’s tegenwoordig bij de halfapen worden ondergebracht, staan de olifantspitsmuizen apart in het zoölogische systeem. Het is zelfs de vraag of ze wel echt tot de insecteneters gerekend moeten worden. Er zijn veel overblijfselen gevonden van talrijke uitgestorven groepen insecteneters, waarvan verschillende door hun afstammingsgeschiedenis verbonden zijn met andere orden van de hogere zoogdieren. Dit laat zien hoe groot de betekenis van de insecteneters is als stamgroep van de hogere zoogdieren. De meeste insecteneters leven in het verborgene en onze kennis van hoe ze leven in de natuur is vaak gebrekkig en onvolledig. Het is interessant om meer inzicht in het leven van deze oeroude dierenorde op te bouwen, omdat alle zoogdiervormen die we kennen eruit zijn ontstaan.

 

Slurfhondjes

Omschrijving

Anders dan zijn naam doet vermoeden is het slurfhondje geen hond, maar een reuzenspitsmuis. Slurfhondjes leven in bossen en struikgewas in Oost-Afrika. De diertjes hebben lange poten, een lange neus en een onbehaarde staart. Ze kunnen ongeveer 30 centimeter groot worden en eten.

Rhynchocyon_petersi_one

Het geslacht omvat de volgende vier levende soorten:

Goudstuitslurfhondje

Gevlekt slurfhondje

Steppelslurfhondje

Udzungwaslurfhondje