Jerboa’s

Jerboa’s

https://nl.wikipedia.org/wiki/Jerboa%27s

Jerboa’s of springmuizen (Dipodidae) zijn een familie van knaagdieren uit de onderordeMyomorpha die voorkomt in Noord- en Oost-Afrika tot Midden-Europa, Korea en Noord-Amerika. Ze leven voornamelijk in woestijnen, halfwoestijnen en steppes. Ze lijken wel wat op kleine kangoeroes door hun enorme achterpoten.

11704

De leden van de familie variëren onderling sterk; daarom worden er vaak meerdere families erkend. Vooral de slingermuizen (Zapodinae, met de onderfamilies Zapodinae en Sicistinae) worden vaak als aparte familie gezien. Waarschijnlijk is deze groep echter niet monofyletisch.

Jerboa’s zijn de nauwste levende verwanten van de muizen, ratten en woelmuizen, die samen met de jerboa’s en enkele fossielen de onderorde Myomorpha vormen. Jerboa’s stammen waarschijnlijk af van geslachten als Simimys en Elymys uit het Eoceen van Noord-Amerika en Azië. Ze zijn waarschijnlijk de enige vertegenwoordigers van de superfamilie Dipodoidea, waar soms ook Armintomys toe wordt gerekend, een Eoceen fossiel uit Noord-Amerika dat nauw verwant is aan de voorouder van de Myomorpha.

Jerboa’s komen ’s nachts tevoorschijn. Ze hebben lange achterpoten, die wel vier keer zo lang kunnen worden als de voorpoten. Met deze achterpoten bewegen de diertjes zich voort, door middel van kleine sprongetjes. De voorpoten worden gebruikt om voedsel vast te pakken. Jerboa’s kunnen tot wel één meter hoog of drie meter ver springen.

Jerboa’s leven van zaden, groene plantendelen en insecten. Sommige soorten zijn gespecialiseerd in één van de drie diëten (bijvoorbeeld de grootoorspringmuis (Euchoreutes naso), die enkel van insecten leeft), anderen (bijvoorbeeld de paardenspringmuizen) hebben een gemengd dieet. Sommige soorten hebben een lange, ronde staart waarmee ze zich goed vast kunnen houden aan bijvoorbeeld halmen.

Jerboa’s of springmuizen (Dipodidae) zijn een familie van knaagdieren uit de onderorde Myomorpha die voorkomt in Noord- en Oost-Afrika tot Midden-Europa, Korea en Noord-Amerika. Ze leven voornamelijk in woestijnen, halfwoestijnen en steppes. Ze lijken wel wat op kleine kangoeroes door hun enorme achterpoten.

De leden van de familie variëren onderling sterk; daarom worden er vaak meerdere families erkend. Vooral de slingermuizen (Zapodinae, met de onderfamilies Zapodinae en Sicistinae) worden vaak als aparte familie gezien. Waarschijnlijk is deze groep echter niet monofyletisch.

Jerboa’s zijn de nauwste levende verwanten van de muizen, ratten en woelmuizen, die samen met de jerboa’s en enkele fossielen de onderorde Myomorpha vormen. Jerboa’s stammen waarschijnlijk af van geslachten als Simimys en Elymys uit het Eoceen van Noord-Amerika en Azië. Ze zijn waarschijnlijk de enige vertegenwoordigers van de superfamilie Dipodoidea, waar soms ook Armintomys toe wordt gerekend, een Eoceen fossiel uit Noord-Amerika dat nauw verwant is aan de voorouder van de Myomorpha.

Jerboa’s komen ’s nachts tevoorschijn. Ze hebben lange achterpoten, die wel vier keer zo lang kunnen worden als de voorpoten. Met deze achterpoten bewegen de diertjes zich voort, door middel van kleine sprongetjes. De voorpoten worden gebruikt om voedsel vast te pakken. Jerboa’s kunnen tot wel één meter hoog of drie meter ver springen.

Jerboa’s leven van zaden, groene plantendelen en insecten. Sommige soorten zijn gespecialiseerd in één van de drie diëten (bijvoorbeeld de grootoorspringmuis (Euchoreutes naso), die enkel van insecten leeft), anderen (bijvoorbeeld de paardenspringmuizen) hebben een gemengd dieet. Sommige soorten hebben een lange, ronde staart waarmee ze zich goed vast kunnen houden aan bijvoorbeeld halmen.

Algemeen

Nederlandse naam;               Woestijnspringmuis

Latijnse naam;                           Jaculus jaculus

Kop-romplengte;                     8-11 cm.

Staartlengte;                              15-20 cm.

Gewicht;                                        50 gram.

Gemiddelde;                                5-7 jaar (gevangenschap)

Levenswijze;                                groepsdier, nachtdier.

Verspreiding;                              Noord Afrika, woestijnen.

Er zijn 9 geslachten echte springmuizen. Hun verspreidingsgebied omvat Noord – Afrika en Centraal – Azië. Ze komen oorspronkelijk uit zanderige en rotsachtige steppe- en woestijnachtige gebieden. Momenteel worden een aantal soorten steeds vaker als huisdier gehouden, oa: woestijnspringmuis (Jaculus jaculus), Reuzenwoestijnspringmuis (Jaculus oriëntalis) en de Paardenspringmuis (Allactaga tertradactyla) Springmuizen zijn niet groot, van kop tot het begin van de staart zo’n 8 tot 17 cm, de gepluimde staart is ongeveer 15 tot 25 cm lang. De kop van de springmuis is vrij kort en breed, de neus weer vrij spits. Met zijn lange achterpoten lijkt hij wel wat op een kangaroe. De kleur is bij de meeste soorten zandkleurig op de rug met een lichte buik en een lichte streep over de heup. De staart draagt een wit met zwart pluimpje aan het eind en wordt gebruikt als steun. De snorharen zijn vrij lang en de oren hebben bij veel soorten wel wat weg van konijnenoren. Het sociale nachtdieren, die allerlei planten en insekten eten. Woestijnspringmuizen lijken qua voortbeweging wel wat op miniatuur-kangaroetjes. Overdag zijn ze zelden te zien en houden zich dan op in hun huisje. De ingang wordt zorgvuldig dichtgestopt met zand en wol. ’s Nachts zijn ze al huppelend en springend hun verblijf aan het onderzoeken. Het zijn zeer vriendelijke diertjes die snel voedertam worden en bijna nooit bijten. Als ze schrikken kunnen ze geweldige sprongen maken van ruim 1 meter. In sommige gevallen houden springmuizen een winterslaap. Daglengte en temperatuur spelen hierbij een rol. Opvallend is dat het vaak de soorten zijn uit Centraal-Azië die in winterslaap gaan. De winterslaap kan enkele maanden duren. In de huiskamer komt het echter bijna niet voor.

Gezelschap en voortplanting

Springmuizen leven oorspronkelijk in familieverbanden in een onderaards tunnelsysteem dat heel omvangrijk kan zijn. In gevangenschap is het houden van verschillende generaties mogelijk, maar als de groep te groot wordt voor de kooi zullen er gevechten om de territoria uitbreken. Springmuizen die alleen in een verblijf gehouden worden, zullen zich erg ongelukkig voelen. Deze dieren hebben altijd in ieder geval één soortgenoot nodig. Elkaar schoonpoetsen is een belangrijke vorm van sociaal gedrag bij deze dieren. Twee vrouwtjes gaan goed samen, twee mannetjes meestal ook.

Het bij elkaar zetten van volwassen springmuizen kan nog wel eens problemen geven. Een indringer wordt in het territorium niet snel geaccepteerd; ze kunnen elkaar zelfs doodbijten.

Voor het bij elkaar zetten van dieren ga ik ervan uit dat er geen jongen geboren worden. Rekening houdend met de aard van springmuizen, zijn de volgende combinaties mogelijk:

twee of meer vrouwtjes   twee of meer mannetjes

Als bij een stelletje één van de twee overlijdt, kan de overgeblevene in een behoorlijke dip geraken. Let dan goed op of het dier blijft eten en ga op zoek naar een nieuwe partner!

Huisvesting en voeding
Springmuizen planten zich in gevangenschap moeilijk voort. De voortplantingstijd valt in de natuur in de zomer en het najaar. Op een leeftijd van 8 tot 12 maanden zijn de vrouwtjes geslachtsrijp en de draagtijd is afhankelijk van de soort ongeveer 23-40 dagen. Gemiddeld krijgt een vrouwtje 3 tot 4 jongen. De jongen worden kaal, doof en blind geboren (nestblijvers) en gedurende vier tot zeven weken door de moeder gezoogd. Na 4 tot 5 weken gaan de ogen open en na acht weken kunnen de jongen weg bij de moeder.
Zorg voor een ruime behuizing (voor twee springmuizen minimaal 100 x 50 cm, voor twee Reuzenspringmuizen minimaal 2 a 3 m x 0,50 m) met daarin de mogelijkheid dat de dieren elkaar kunnen ontwijken. Als het hok net is schoongemaakt heeft dat de voorkeur. Beter is om neutraal terrein te creëren. Het is verstandig om aan het begin van de avond te beginnen zodat er de hele avond en nacht de tijd is om rustig te bekijken of het goed gaat. Mocht er een vermoeden bestaan dat de dieren zullen gaan vechten, moeten ze ogenblikkelijk uit elkaar gehaald worden. Ze kunnen ieder apart gehuisvest worden met de verblijven tegen elkaar aan zodat ze elkaar kunnen zien en ruiken; of splits het bestaand verblijf in tweeën en laat ze op die manier aan elkaar wennen. Probeer het bij elkaar zetten dan na een aantal dagen tot weken nog een keer. Springmuizen kunnen problemen geven als de groep te groot is of één van de dieren de nieuwkomer als een indringer ziet. De dieren herkennen elkaar aan de familiegeur en aan de chemische stoffen in het speeksel waardoor vreemde dieren elkaar vaak moeilijk accepteren. Als twee dieren, die elkaar niet kennen, elkaar ter begroeting kort aan de zijkant van de snoet likken, dan is dit niet altijd een teken van vriendschappelijkheid. Als daarop volgt dat ze met de koppen elkaar weg gaan duwen, is het nodig ze uit elkaar te halen voordat het gevecht echt begint.

Verreweg het meest geschikte onderkomen voor twee springmuizen is een ruime aquariumbak van minimaal 100 x 50 cm. Een groepje springmuizen heeft meer ruimte nodig. De reuzenspringmuis heeft echter nog veel meer ruimte nodig voor hun is een minimale lengte van de bak toch wel snel 200 a 300 cm. Dek de bak wel af met een met gaas gespannen houten raamwerk om ontsnapping te voorkomen. In een aquariumbak kunnen de springmuizen graven en een sociaal leven leiden. Voor de eigenaar is een aquarium ook leuk: de dieren zijn hierin makkelijk te observeren. Plaats een verblijf niet in de volle zon. De temperatuur loopt vooral in een aquarium snel hoog op.

Op de bodem kan het best een dikke laag zand liggen. Wat stenen en stronken kleden het verblijf verder aan. Let erop dat deze niet in de springroute liggen van de dieren. Ze zien slecht diepte en kunnen hun lange achterpoten gemakkelijk bezeren. Een stenen kruik of bloempot biedt een goed onderkomen voor de dag. Schapenwol is een geliefd nestmateriaal. Vanwege hun gevoeligheid voor geluiden en trillingen, is het niet verstandig deze dieren in de buurt van geluidsapparatuur te houden. Plaats daarom het verblijf op een rustige plaats. Voor het onderhoud van hun vacht nemen ze graag een zandbadje met speciaal badzand (chinchillazand).

De springmuis is relatief makkelijk te houden. De diertjes zijn ’s nachts wakker en actief; ze hebben erg weinig last van ziekten en zijn rustig en opgewekt. Door zijn afkomst uit de woestijn gaat een springmuis zeer zuinig met zijn lichaamswater om. Er wordt weinig geürineerd en z’n uitwerpselen zijn droog. Het verblijf hoeft dus niet vaak schoongemaakt te worden. Wel moet elke dag even gekeken worden of er geen voedsel is begraven dat kan gaan schimmelen of rotten. Vaak vinden springmuizen het prettig hun vacht te verzorgen met behulp van een bakje zand; gebruik hiervoor speciaal badzand. Springmuizen zijn erg gedwee en handelbaar. Ze bijten of krabben niet, tenzij er erg ruw met de diertjes wordt omgegaan. Steekt men een hand in de kooi, dan zal de springmuis daar nieuwsgierig opklimmen en de hand en arm aan een onderzoek onderwerpen.

Was de handen goed na ieder contact met de springmuis of zijn omgeving.

Springmuizen eten voornamelijk plantaardig voer, af en toe aangevuld met wat dierlijk voedsel (bijvoorbeeld meelwormen). Gerbil – of hamstervoer is een goede basis. Het basisvoer kan worden aangevuld met weinig fruit en groente en hooi. Opgroeiende jongen eten ook graag kanarie-opfokvoer en gekiemde zaden. Geef springmuizen altijd een bakje vers water. Ondanks de wetenschap dat deze dieren weinig drinken en zuinig met water omgaan, moeten ze altijd over water kunnen beschikken. Vooral als ze het warm hebben of zich niet lekker voelen, verbruiken springmuizen meer water dan ze uit hun groenvoer kunnen opnemen. Reuzenwoestijnspringmuizen (Jaculus orientalis) komen voor in kustgebieden en drinken zeewater. Voor deze soort is een zoutliksteen beslist noodzakelijk!

soorten jerboa’s :

De familie omvat de volgende geslachten:

  • Aksyiromys †; (Vroeg-Eoceen van Azië)
  • Blentosomys †; (Vroeg-Eoceen van Azië)
  • Elymys †; (Midden-Eoceen van Noord-Amerika)
  • Simiacritomys (Midden-Eoceen van Noord-Amerika)
  • Ulkenulastomys †; (Vroeg-Eoceen van Azië)
  • Onderfamilie Sicistinae
    • Allosminthus †; (Vroeg-Oligoceen van Azië)
    • Arabosminthus †; (Vroeg-Mioceen van Saoedi-Arabië)
    • Tribus Lophocricetini †dagger;
      • Lophocricetus †; (Midden- tot Laat-Mioceen van Oost-Europa, Binnen-Mongolië en Noord-Kazachstan)
    • Tribus Sicistini
      • Heterosminthus †; (Midden- tot Laat-Mioceen van Binnen-Mongolië)
      • Macrognathomys †; (Laat-Mioceen van Noord-Amerika)
      • Miosicista †; (Midden-Mioceen van Noord-Amerika)
      • Plesiosminthus †; (Vroeg-Oligoceen tot Midden-Mioceen van Europa, Azië en Noord-Amerika)
      • Berkenmuizen (Sicista) (Laat-Mioceen tot heden in Azië en Europa)
      • Tyrannomys †; (Vroeg-Pleistoceen van Noord-Amerika)
  • Onderfamilie Huppelmuizen (Zapodinae)
    • Chinese huppelmuis (Eozapus) (Laat-Mioceen tot heden in Europa en Azië)
    • Javazapus †; (Vroeg-Pleistoceen van Noord-Amerika)
    • Megasminthus †; (Midden-Mioceen van Noord-Amerika)
    • Boshuppelmuis (Napaeozapus) (Midden-Pleistoceen tot heden in Noord-Amerika)
    • Pliozapus †; (Laat-Mioceen van Noord-Amerika)
    • Sminthozapus †; (Vroeg-Plioceen van Oost-Europa)
    • Echte huppelmuizen (Zapus) (Vroeg-Plioceen tot heden in Noord-Amerika)
  • Onderfamilie Allactaginae
    • Paardenspringmuizen (Allactaga) (Laat-Mioceen tot heden in Azië, Oost-Europa en Noord-Afrika)
    • Allactodipus (levend in Oezbekistan en Turkmenistan)
    • Brachyscirtetes †; (Laat-Mioceen van Azië)
    • Himalayactaga †; (Laat-Mioceen van Tibet)
    • Proalactaga †; (Laat-Mioceen van Azië)
    • Protalactaga †; (Midden- tot Laat-Mioceen van Afrika en Azië)
    • Pygeretmus (Laat-Plioceen tot heden in Azië en Oekraïne)
  • Onderfamilie Dipodinae
    • Tribus Dipodini
      • Ruigvoetspringmuis (Dipus) (Pleistoceen tot heden in Azië en Oost-Europa)
      • Lichtensteinspringmuis (Eremodipus) (levend in Centraal-Azië)
      • Jaculus (Laat-Plioceen tot heden in Afrika en Azië)
      • Kleine Woestijnspringmuis (Jaculus Jaculus)
      • Grote Woestijnspringmuis (Jaculus Oriëntalis)
      • Plioscirtopoda †; (Laat-Plioceen van Oekraïne)
      • Scirtodipus †; (Laat-Mioceen van Kazachstan)
      • Sminthoides †; (Laat-Mioceen tot Pleistoceen van Azië)
      • Stylodipus (Laat-Pleistocene tot heden in Oost-Europa en Azië)
    • Tribus Paradipodini
      • Kamteenspringmuis (Paradipus) (levend in Centraal-Azië)
  • Onderfamilie Dwergspringmuizen (Cardiocraniinae)
    • Tribus Cardiocraniini
      • Vijfteendwergspringmuis (Cardiocranius) (levend in China, Mongolië en Kazachstan)
    • Tribus Echte dwergspringmuizen (Salpingotini)
      • Salpingotulus (levend in Pakistan)
      • Salpingotus (levend in Afghanistan, Centraal-Azië, China en Mongolië)
  • Onderfamilie Euchoreutinae
    • Grootoorspringmuis (Euchoreutes) (levend in Mongolië en China)