Een havik

Een havik

https://nl.wikipedia.org/wiki/Havik_(vogel)

Latijnse naam    Accipiter Gentilis

Familie               Sperwers (accipitridae)

Lengte               46 – 67 cm

Spanwijdte        96 – 127 cm

Voedsel              Hoofdzakelijk vogels tot de grote van een kraai.                                Zoogdieren tot de grote van een haas.

Kenmerken        Krachtige en snelle roofvogel. Vrij snelle vleugelslagen met korte  zweefpauze is zijn typerende vlucht.

Voorkomen        Vrij algemeen voorkomende vogel, hoofdzakelijk in bosgebied. In de winter ook vaak jagend in open land en parken.

haviken-

Kenmerken

In vlucht is de havik te herkennen aan lange staart en relatief korte, brede vleugels. Bij volwassen vogels is de bovenzijde grijsbruin tot leigrijs, de onderkant is wit met een fijne, donkere dwarsbandering. Jonge vogels hebben een meer bruine bovenzijde met lichtbruine veerranden en een crèmekleurige onderzijde met bruine lengtestrepen. Haviken hebben een lichte wenkbrauwstreep boven het oog. De iris is bij nestjonge vogels flets groengrijs, bij jonge vogels geel en bij volwassen vogels donker oranje. Haviken hebben hele krachtige poten. Het mannetje is aanzienlijk kleiner dan het vrouwtje.

Gelijkende soorten

De havik is een grotere versie van de sperwer: een “sperwer” zo groot als een buizerd is duidelijk een havik vrouwtje en een “havik” zo groot als een turkse tortel is duidelijk een mannetje sperwer. Lastiger is het onderscheid tussen een mannetje havik en een vrouwtje sperwer: die kunnen qua afmetingen gemakkelijk worden verward. De havik geeft een stevigere indruk dan een sperwer en heeft een tragere, krachtigere vleugelslag en de staart heeft meer afgeronde hoeken.

Veren

Naarmate haviken ouder wordt verdwijnen bij sommige exemplaren de lichte banden in de handpennen, dit geldt echter niet voor alle volwassen haviken: anderen behouden de lichte banden zoals bij de juveniele veer. De armveer van de juveniele havik is duidelijk bruiner dan de veer van een volwassen exemplaar, ook is de lichtebruine rand van jonge vogels goed te zien.

Verspreiding

De havik komt op het hele noordelijk halfrond voor: Delen van Noord-Amerika, Europa, Azië en een klein stukje Afrika (Marokko).

Habitat en leefwijze

Een havik is een typische bosvogel maar jaagt ook in (half)open landschap. Haviken geven de voorkeur aan gevarieerde landschappen met veel dekking, waarin bossen en open vlakten elkaar afwisselen omdat hun verrassingsaanval techniek daar het beste werkt. Ze jagen soms ook vanaf grote hoogte waarbij ze de omgeving afspeuren en hun prooi proberen te slaan met een snelle stootduik. Haviken gaan, tegen hun natuurlijke schuwheid in, ook steeds meer in de buurt van verstedelijkt gebied leven, dit blijkt lang niet zo slecht te gaan. Onderzoek met gezenderde vogels (in Hamburg, Duitsland) wees uit dat hun jachtvluchten gemiddeld meer succesvol zijn dan bij “landelijk wonende” haviken en dat ze gemiddeld minder jachtvluchten uitvoeren in een kleiner jachtgebied (1000Ha). Haviken verdedigen een gebied van enkele honderden meters rond het nest: soortgenoten van hetzelfde geslacht worden uit het territorium verjaagd. Onderzoek (met gezenderde vogels) heeft uitgewezen dat hun jachtterrein veel groter is, het varieert van 500Ha tot soms meer dan 6000Ha (in Finland zelfs gemiddeld 63 Km2 voor vrouwtjes en 99 Km2 voor mannetjes).

Voedsel

Voornamelijk levende vogels: duiven, lijsters, kraaiachtigen en spreeuwen (maar ook konijnen) vormen de hoofdmoot. Andere roofvogels en uilen ontsnappen ook niet aan de keuken van de havik het gaat dan voornamelijk sperwer en ransuil. De prooien zijn soms slechts 15 gram maar soms ook zwaarder dan een kilo. Mannetjes pakken kleinere prooien dan vrouwtjes.

Broedgedrag

De balts kan bij goed weer al in december en januari beginnen. Dan wordt er, vooral ’s morgens, met diepe vleugelslagen boven het territorium rondjes gevlogen waarbij de witte onderstaart dekveren worden uitgespreid, het zogenaamde “vlaggen”. In de nawinter wordt er een nest (gemiddeld op 12 meter hoogte) gebouwd of wordt het bestaande nest van vorig jaar opgeknapt. Het zijn vaak flinke nesten, soms broeden er zelfs andere zangvogels in (bv winterkoning, gekraagde roodstaart of kuifmees). Haviken leggen hun eieren van half maart tot begin mei, het vrouwtje blijft dan ongeveer 3 maanden continue op het nest, gevoed door het mannetje. Vanaf het moment dat de jongen 3 weken oud zijn verlaat het vrouwtje steeds vaker het nest om mee te gaan jagen. De jongen blijven zo’n 40 dagen in het nest, daarna gaan ze als zogenaamde “takkeling” de buurt rond het nest verkennen: eerst een sprongetje naar de volgende tak, daarna een korte vlucht naar de volgende boom en zo verder. Mannetjes beginnen eerder met de omgeving rond het nest te verkennen dan vrouwtjes. Als takkeling worden ze nog zo’n 3 tot 4 weken gevoerd en dan verlaten ze het territorium van de oudervogels.

Trek

Nederlandse haviken zijn standvogels, dat wil zeggen dat ze het gehele jaar in hun territorium blijven en dus niet wegtrekken in de winter. Geringde haviken worden meestal op slechts enkele tientallen kilometers van hun geboorteplaats teruggemeld, gemiddeld (mannetjes en vrouwtjes) op 17Km van hun geboorteplek. Oudere vrouwtjes op gemiddeld 35 Km, vrouwtjes lijken zich dus op grotere afstand van hun geboorteplek te vestigen dan de mannetjes. Het gaat dan eigenlijk alleen maar om dispersie (het verspreiden van uitgevlogen jongen). De grootste afgelegde afstand is 296Km, helaas ging het om een havik die in haar eerste levensjaar in de DDR werd neergeschoten. Haviken uit Scandinavië maken grotere omzwervingen: de grootste vastgestelde afgelegde afstand is ruim 1700 Km.

Een havik is een roofvogel die ongeveer een halve meter groot kan worden.   Hij heeft korte, brede vleugels en een lange, bijna vierkante staart.  Een volwassen havik heeft een witte lijn boven het oog.  Het verenkleed van een mannetje is bruin met wit en grijze strepen.  Hij heeft een zeer scherpe snavel zoals alle roofvogels.  Het vrouwtje is veel groter.  Een havik is een stille vogel.  Alleen als ze gaan broeden, kunnen ze veel lawaai maken.

Hij vangt middelgrote vogels en zoogdieren.   Het liefst duiven, Vlaamse gaaien en konijnen.   Op een plaats met veel struiken jaagt de havik vanaf een zitplaats om een prooi te verrassen.  Daarbij kan de vogel op korte stukken erg snel vliegen.  Eens hij een prooi gekozen heeft, duwt hij zich af en fladdert een paar keer met de vleugels.  Met zijn vleugels bijna helemaal tegen zijn lichaam stort hij pijlsnel door bomen en struiken op zijn prooi af.  Op open plaatsen kan hij van hoog in de lucht op zijn prooi neerduiken.

Hij legt tot vijf blauwwitte eieren.  Tijdens het broeden, ruien de mannetjes en de vrouwtjes.  Onder het nest vind je dan ook heel veel veertjes.  Havikjongen die klaar zijn om het nest te verlaten, beginnen met vliegoefeningen.  De ouders leggen dan prooien op de rand van het nest, waardoor de jongen fladderend naar de rand gaan.   En ineens duiken ze dan van het nest als echte vliegers.

Ze blijven hun hele leven op dezelfde plaats.  Enkel de haviken uit plaatsen waar het heel koud is, die trekken meer naar warmere landen.  Toch vind je hem het meest in bossen.  Voor het jagen gaat hij naar de rand van het bos waar hij op de akkers van boeren gaat jagen.  Af en toe zie je hem jagen in de stad.

Een paartje haviken heeft meer dan één nest, die van jaar tot jaar worden gewisseld om bacteriën te mijden.  Ze geven er niet om om gauw een nieuw nest te moeten maken.  Zo een nest noemen we een horst.   Het wordt met dode takken gebouwd hoog in een boom.