Teken

Teken

https://nl.wikipedia.org/wiki/Teken_(dieren)

Teken (Ixodida) vormen een orde van geleedpotige parasieten die behoren tot de klasse der spinachtigen. Samen met de mijten vormen zij de onderklasse der Acarina. Teken zijn nauw verwant aan de mijten, maar de precieze relatie is onduidelijk. Teken leven van het bloed van gewervelde dieren: ze bijten zich vast in de huid en laten zich na een bloedmaaltijd, die enige uren tot dagen duurt, weer vallen. Teken kunnen verschillende ziekten overbrengen, ze worden daarom een vector genoemd. Na de steekmuggen zijn teken de belangrijkste verspreiders van pathogenen. Tekenbeten zijn meestal niet pijnlijk en worden vaak alleen opgemerkt doordat men de teek in de huid ziet zitten. Het dier waarop de teek leeft, wordt gastheer genoemd. Bekende gastheren van teken zijn vogels, reptielen en verschillende zoogdieren. De bekendste Europese teek, die tevens een overbrenger is van de lymeziekte en van de FSME, is de schapenteek (Ixodes ricinus).

Kenmerken

Teken hebben net als alle spinachtigen acht poten, maar onderscheiden zich van de meeste spinachtigen, zoals de echte spinnen, onder andere doordat er geen duidelijke scheiding tussen kopborststuk en achterlijf bestaat. Teken kunnen maar met weinig dieren worden verward, een uitzondering zijn de luisvliegen. Deze apart gebouwde bloedzuigende vliegen zijn nagenoeg vleugelloos en kunnen net als een teek het lichaamsvolume sterk vergroten tijdens een maaltijd door de rekbare huid.

tekenm

Lichaam

Een niet met bloed volgezogen teek is slechts een paar millimeter groot, de meeste soorten hebben onopvallende kleuren als bruin en zwart. Als een volwassen vrouwtje zich helemaal volgezogen heeft met bloed, kan ze meer dan een centimeter groot worden. Het lichaam heeft van boven een ronde tot ovale vorm en is in normale toestand plat, van opzij gezien. In volgezogen toestand ziet een teek er bijna rolrond uit, wat mogelijk is dankzij de extreem rekbare huid. Hierdoor kan een teek meer dan tien keer het eigen lichaamsgewicht aan bloed opzuigen. Van de soort Hyalomma asiaticum is beschreven dat de teek 624 maal het eigen gewicht aan bloed kan opnemen. Vooral de vrouwtjes doen dit omdat ze proteïnen nodig hebben voor de ontwikkeling van het grote aantal eitjes, mannetjesteken hebben veel minder voedsel nodig. Op de achterkant en de voorkant van het lichaam bevindt zich bij de harde teken een enkelvoudig of samengesteld schild (scutum). Het scutum is niet rekbaar en heeft daardoor altijd dezelfde vorm. De anus, de daaromheen gelegen anale groeve en de plaats en vorm van de geslachtsopening zijn bij een aantal soorten de belangrijkste soort-onderscheidende kenmerken zodat ze soms bij de determinatie van belang zijn.

Poten

Net als alle spinachtigen hebben teken acht poten, waarmee ze zich onderscheiden van de insecten. Tekenlarven hebben echter tot hun eerste vervelling zes poten, ze zijn hieraan makkelijk te onderscheiden van de nimfen die ook nog in een juveniel stadium verkeren maar al acht poten hebben. De poten van een teek zijn vergeleken met andere spinachtigen klein, op de voorpoten (poot I) bevindt zich op de laatste geleding het orgaan van Haller, dit is een complexe structuur bestaande uit een putje dat een aantal zintuiglijke haren bevat en bij het lokaliseren van de gastheer wordt gebruikt. De precieze werking van dit zintuiglijk belangrijke en complexe orgaan is echter niet bekend.

Kop

De kop van een teek wordt ‘Gnathosoma’ of ‘capitulum’ genoemd. De kop van een teek is zeer klein, gefuseerd met het borststuk en nauwelijks zichtbaar. De kop draagt verschillende monddelen, de gepaarde delen aan weerszijden worden palpen genoemd. In het midden is een zuigsnuit of hypostoom aanwezig, die doet denken aan een tong en bestaat uit een met weerhaken getand steekorgaan. Het hypostoom wordt beschermd door twee cheliceren die helpen bij de doorboring van de huid. In het speeksel van een teek zit zowel een verdovende stof als een stof die de bloedstolling tegengaat. Een tekenbeet wordt door de plaatselijke verdoving niet gevoeld, de stollingsremmer zorgt ervoor dat de teek bloed kan blijven zuigen omdat er geen stolsel wordt gevormd. Harde teken scheiden na zich in de huid te hebben geboord een aparte lijmstof uit waarmee ze zich zeer goed vasthechten.

Ontwikkeling

Net als alle ongewervelden kent de teek verschillende levensstadia die na iedere vervelling veranderen. De meeste geleedpotigen hebben óf een nimfstadium, óf een larvestadium maar bij de teek komen beide stadia voor. Als de jonge teek uit het ei kruipt wordt deze larve genoemd, de teek heeft nog 6 poten in plaats van acht. Het extra potenpaar verschijnt na de eerste vervelling, dit stadium wordt de nimf genoemd. Na een volgende vervelling is de teek meestal volwassen en kan zich voortplanten, het kan jaren duren voor de teek volledig is ontwikkeld. Ieder stadium van de teek heeft bloed nodig, sommige teken blijven hun hele leven op dezelfde gastheer parasiteren zonder deze te verlaten of blijven in het nest van de gastheer. De meeste teken hebben verschillende gastheren nodig, die niet altijd van de zelfde soort hoeven te zijn. Er worden een-, twee- en driegastherige teken onderscheiden. Van deze laatste soorten wordt hieronder de ontwikkeling beschreven.

De larven kruipen nadat ze uit het ei zijn gekomen op een grasspriet of plant op enige hoogte boven de grond. Als een mogelijke gastheer langskomt klampen ze zich vast en zuigen zich vol waarna ze zich weer laten vallen op de grond en vervellen. Een teek in het larvestadium kan nog geen ziektes overbrengen, in tegenstelling tot nimfen of imago’s. De meeste larven van soorten die meerdere gastheren nodig hebben verhongeren voordat ze een gastheer tegenkomen, dit is de reden dat een vrouwtjes-teek zeer veel eitjes produceert, tot enkele duizenden. Hierdoor is de kans groter dat een aantal van de larven zich kunnen ontwikkelen tot een volwassen teek. Na de vervelling van de larve zoekt de nimf naar een nieuwe gastheer, waarna het proces zich herhaalt: de teek klampt zich vast, zuigt bloed, laat zich op de bodem vallen en vervelt. Nu is de teek volwassen en wordt een derde maal een gastheer opgezocht. Ditmaal wordt niet alleen bloed opgezogen maar ook naar een partner gezocht waarna de paring plaatsvindt.

Het vrouwtje zet na haar laatste bloedmaaltijd een aanzienlijk percentage van haar lichaamsgewicht (50% of meer) in eieren om voor zij sterft en produceert dan honderden tot enige duizenden eieren. Er is een waarneming bekend van een vrouwtje dat meer dan 23.000 eitjes afzette in een enkel legsel.

Levenswijze

Verreweg de meeste soorten harde teken (Ixodidae, ca. 600, = 90%) hebben drie gastheren omdat ze twee keer op de bodem vervellen. Deze soorten worden driegastherig genoemd en zijn potentieel de gevaarlijkste wat betreft het overbrengen van ziektes. Een aantal teken is eengastherig (alle vervellingen vinden plaats op de gastheer) of tweegastherig (één vervelling op de grond). Lederteken kunnen meer vervellingen doormaken doordat ze meerdere nimfstadia kennen.

Teken zitten te wachten tot een gastheer langskomt in struikgewas, bomen en op grassprieten. Teken gaan extreem zuinig met hun energie om en kunnen meer dan een jaar zonder voedsel, sommige soorten wel 5 jaar. De ontwikkelingscyclus van Ixodes ricinus kan, afhankelijk van de omstandigheden, tussen 1,5 en 7 jaar duren. Teken detecteren hun potentiële gastheer door de uitgestraalde lichaamswarmte, en wellicht ook door geurdetectie. Een teek kan enige dagen tot enkele weken op dezelfde gastheer blijven zitten. Ze kunnen via de benen van de gastheer omhoog klimmen en nestelen zich bij voorkeur in huidplooien, maar ook wel gewoon op een been of arm. Een teek loopt meestal enige minuten rond op zoek naar een optimale plaats alvorens zich in de huid vast te bijten. Naast in het wild voorkomende zoogdieren, worden vooral honden, katten en mensen gebeten.

Alle teken leven van bloed en lichaamsvloeistoffen van verschillende gewervelde dieren: zowel reptielen, vogels en zoogdieren als knaagdieren, hoefdieren, katachtigen, hondachtigen, vleermuizen en primaten, waaronder de mens. Voor hun ontwikkeling hebben teken drie bloedmaaltijden nodig van een of meer gastheren. Sommige teken kunnen op verschillende gastheren leven, andere hebben een voorkeur voor een bepaald dier. Soorten uit het geslacht Amblyomma bijvoorbeeld leven op schildpadden.

Verspreiding

Teken zijn kosmopoliet, ze komen wereldwijd voor. In Nederland en België kent men een tiental soorten teken, die deels zeer gespecialiseerd zijn in het bloed van bepaalde diersoorten, bijvoorbeeld vleermuizen, woelratten en oeverzwaluwen. In Nederland en België komen teken vooral voor in landelijke gebieden met bossen en struikgewas, o.a. in Zeeland, Noord-Brabant, Limburg, Gelderland, Drenthe, Overijssel, Noordoost-Groningen, de Kempen en de Ardennen. Ixodes -teken zijn gevoelig voor uitdroging en komen het meest voor op plaatsen waar een wat vochtige bodem bestaat, b.v. door een dikke strooisellaag. Een andere soort die hier is gevonden kwam alleen op ingevoerde schildpadden voor. Andere soorten hebben meer gastheren op hun menu staan. Voor de determinatie zijn o.a. het aantal en de vorm van de schilden en de aanwezigheid van sporen (uitsteeksels) op de basis van de poten van belang. In de praktijk komen echter bij de mens vrijwel alleen beten van Ixodes ricinus voor. Van de hierboven aangegeven harde tekensoorten (Ixodidae) zijn de Rhipicephalus en de Dermacentor exotisch. Zij zijn uit het Middellandse Zeegebied bekend en worden wel eens met huisdieren ingevoerd. Rhipicephalus sanguineus kan zich, als hij niet wordt bestreden, binnenshuis handhaven en van de Dermacentor-teek wordt vermoed dat hij zich in sommige Nederlandse natuurgebieden wellicht aan het vestigen is. Enkele in de laatste jaren geconstateerde gevallen van tekenkoorts (babesiose) bij honden kunnen namelijk niet gemakkelijk door directe import uit het buitenland verklaard worden.

De mens als slachtoffer

De meeste tekenbeten komen voor in de zomer. Een teek kan tijdens een natuurwandeling worden opgelopen maar ook in de tuin of in stadsparken, vooral als men zich daarbij door struiken, gras of onder bomen en begroeiing begeeft. Daarbij is de teek in staat om onder de kleding te kruipen. De kleding kan met een insectenwerend middel worden ingespoten, dat meestal DEET bevat. Deze stof verstoort de reukzin van de teek waardoor deze zijn gastheer niet meer kan waarnemen. Ook kan Permethrin worden gebruikt, dit tast het zenuwstelsel aan wat de teek doodt en nauwelijks giftig is voor zoogdieren. Verdere preventie bestaat uit het niet met korte broek of onbedekte lichaamsdelen in bos of struikgewas te wandelen, de broekspijpen in de sokken te stoppen en geïmpregneerde sokken te dragen. Hierdoor wordt de teek direct onschadelijk gemaakt als hij via het gras op het lichaam komt. Het na het verlaten van het bos of ’s avonds (laten) controleren van het volledige lichaam op teken kan een infectie voorkomen. Jonge tekenlarven zijn slechts ca. 1 mm groot. De teek dient alleen met een speciale tekentang of tekenlepel te worden verwijderd, aangezien er anders een kans is dat de teek zichzelf leegbraakt wat het risico op ziektes verhoogt.

De beet van een teek kan verward worden met die van andere bloedzuigende geleedpotigen zoals vlooien en sommige wantsen, zoals de bedwants. Een tekenbeet veroorzaakt geen zwelling zoals de beet van een daas of de steek van wespen, bijen of hommels.

Tekenpopulatie

De larven en nimfen leven op kleine zoogdieren, zoals muizen. De volwassen vrouwtjes hebben echter grotere gastheren nodig voor de productie van de eitjes, zoals herten en wilde zwijnen. In jaren met veel eikels en/of beukennootjes, de mastjaren, groeit de muizenpopulatie en neemt ook de tekenpopulatie toe. Ook kan de teek zich beter verspreiden door de ontwikkeling van nieuwe natuurgebieden en de aanleg van de Ecologische Hoofdstructuur, omdat de gastheer zich hierdoor beter kan verspreiden. Ook bij het uitblijven van strenge winters kan de populatie toenemen.

Tekenziekten

De lymeziekte, veroorzaakt door de Borrelia-bacterie die ook in Nederland en België voorkomt. Uit onderzoek van de Wageningen Universiteit is gebleken dat in 2006 gemiddeld 23,6% van de teken in Nederland besmet was met de Borrelia-bacterie (variaties van 0 tot 50%). Hiermee zit Nederland ver boven het Europees gemiddelde van 10,1%.

Een vorm van encefalitis, Frühsommer Meningo Encephalitis (FSME) en Russian Spring Summer Encephalitis (RSSE). Deze ziekten zijn zeldzaam in Nederland en België en worden veroorzaakt door twee virussen die behoren tot de groep van flavivirussen. In Nederland (2003) zijn nog geen teken met dit virus aangetroffen. FSME komt voor in Centraal- en Oost-Europa, de Balkan, Finland, Zweden, Denemarken, in het oosten van Frankrijk, in Oostenrijk, Zuid-Duitsland en Zwitserland. Het RSSE-virus komt voor in grote delen van Rusland, Centraal-Azië, Noord-China en Afrika. Tegen FSME en RSSE kan gevaccineerd worden.

Ehrlichiosis

Fièvre boutonneuse, overgebracht door de teek Rhipicephalus sanguineus, die in Zuid-Europa voorkomt.

De kans op besmetting met lymeziekte bij de mens is bij verwijdering van de teek binnen 24 uur gering. Toediening van antibiotica wordt in de Nederlandse officiële richtlijnen niet standaard aanbevolen. Ontstaat na 1 tot 6 weken een rode, zich uitbreidende ring om de plaats van de beet of heeft men geen rode ring gehad of gezien, maar wel klachten, dan moet de huisarts worden geraadpleegd. Het lijkt erop dat het percentage met de veroorzaker van de lymeziekte besmette teken in Nederland de laatste jaren toeneemt. In de afgelopen tien jaar nam het aantal lymepatiënten toe van 6.000 tot 17.000. Vorig jaar meldden zich 73.000 mensen bij de dokter om een teek te laten verwijderen. De meeste mensen lopen een tekenbeet op in het bos (41%), meer dan een derde (34%) in de eigen tuin en 9% werd gebeten in de duinen. Het maken van een wandeling en tuinieren zijn activiteiten met de grootste kans op een beet.

Daarnaast kunnen teken ziekten overbrengen op dieren. De belangrijkste ziekte bij runderen en honden veroorzaakt door teken is babesiose, veroorzaakt door de Babesia– bloedparasiet (Babesia canis). Deze parasiet dringt de rode bloedcellen binnen. Ziekteverschijnselen zijn kortademigheid, koorts, rode urine en plotselinge sterfte. Babesiose (ook wel pyroplasmose of piroplasmose) komt voornamelijk voor in Zuid-Europa, maar kan ook in Nederland voorkomen. In 2004 zijn enkele gevallen gerapporteerd. De overbrengende teek van deze ziekte (Dermacentor sp.) kwam niet in Nederland voor en werd slechts af en toe ingevoerd op huisdieren. De laatste jaren echter wordt deze soort vaker aangetroffen; het lijkt erop dat hij zich blijvend gevestigd heeft.