KOEKOEK

KOEKOEK

https://nl.wikipedia.org/wiki/Koekoek_(vogel)

Verspreiding : Europa, Azie en N.W.-Afrika.

Veldkenmerken : Is bijna zo groot als een sperwer en gelijkt vliegend sterk aan deze stoot-vogel, doch de vleugels zijn puntiger; Zweeft ook nooit en ‘wiekelt’ niet ter plaatse zoals de torenvalk, waaraan sommige roodbruine wijfje gelijkken. Gestreepte onderzijde, grijze of rossige bovenzijde (heel wat wijfkes), gele pootjes en gebogen snavel.

Koekoeke

Schuw; het mannetje zingt het gekende ‘koekoe’ (soms ‘koekoekoe’) in de lente, tot begin juli, uitzonderlijk nog later. Het wijfje antwoordt met een snel ratelend geluid : ‘kekkekkekkkek…’.
Biotoop : Bossen en boomrijke landschappen, open rietland en Polders, moerassen en duinen waar waardvogels voorkomen : karekieten, piepers, enz. Als voedsel vooral behaarde en door andere vogels weinig gegeerde rupsen, zoals die van de koolwitjes, verder kevers en allerlei andere insekten.
Voortplanting : Vanaf mei : Normaal 8 tot 10 bleekbruine, grijze, groenachtige of roodkleurige eieren met fijne streepjes en stippels, buikiger, groter en zwaarder dan die van de meeste zanvogels. Ongevlekte blauwe eitjes enkel in Noord-Limburg gevonden. Het koekoekwijfje legt om de 2 dagen.
Verplaatsingen : Trekvogel die vooral in het Zuid-Oosten van Afrika overwintert.