IJsvogel

IJsvogel

https://nl.wikipedia.org/wiki/IJsvogels

De ijsvogel (Alcedo atthis) is een waterminnende vogel uit de familie ijsvogels (Alcedinidae). Het is een opvallende verschijning door zijn afstekende blauwe en oranje kleuren, maar ook een zeer schuwe soort die zich weinig laat zien. Alcedo atthis is een van de weinige soorten ijsvogels die tot in noordelijk Europa voorkomt inclusief Nederland en België, althans de ondersoort Alcedo atthis ispida. De meeste ijsvogels leven in de tropen.

parende ijsvogels

De ijsvogel is een typische viseter (piscivoor), dus sterk aan water gebonden. Zijn voorkeur gaat uit naar stromende wateren. In het grootste deel van het verspreidingsgebied is de soort algemeen, maar in sommige gebieden wordt de ijsvogel met uitsterven bedreigd.

Naamgeving

De wetenschappelijke naam van de ijsvogel is Alcedo atthis; de soort werd oorspronkelijk door Linnaeus beschreven als Gracula atthis. De geslachtsnaam Alcedo is afgeleid van het Latijnse alcedo (Grieks: ἁλκυων of halkuon, vaak als ‘halcyon’ gespeld) dat ‘koningsvisser’ betekent. De soortnaam atthis is afgeleid van Attis, een mannelijk figuur uit de Griekse mythologie.

De Nederlandse naam ijsvogel heeft waarschijnlijk niets te maken met een voorkeur of een relatie met ijs maar is een verbastering van de Germaanse naam Eisenvogel wat zoiets als ‘ijzervogel’ betekent. Deze naam slaat op de metaalachtige glans van het blauwe verenkleed. Een andere verklaring voor de naam is dat de ijsvogel ’s winters bij het ijs werd gezien om uit een wak vissen te vangen. Welke van de twee de juiste verklaring biedt is echter onderwerp van studie.

Taxonomie

De ijsvogel is in Europa de bekendste soort uit de familie ijsvogels (Alcedinidae). Deze familie bestaat uit enige tientallen soorten die een wereldwijde verspreiding hebben maar vooral leven in subtropische en tropische gebieden. Een andere Europese soort is de Smyrna-ijsvogel die in het uiterste zuidoosten leeft.

Ondersoorten

Er worden acht ondersoorten onderscheiden, die qua uiterlijk en verspreidingsgebied enigszins verschillen;

  • Alcedo atthis atthis – Middellandse Zeegebied, Syrië en het Arabisch Schiereiland
  • Alcedo atthis bengalensis – Noord-India tot Filipijnen en Grote Soenda-eilanden
  • Alcedo atthis floresiana – Bali
  • Alcedo atthis ispida – Europa
  • Alcedo atthis ispidoides – Celebes, Bismarck-archipel
  • Alcedo atthis japonica – Japan, Taiwan, Sachalin
  • Alcedo atthis salomonensis – Salomonseilanden
  • Alcedo atthis taprobana – Zuid-India en Sri Lanka

Kenmerken

De ijsvogel is een kleine vogel met een korte staart en pootjes, een korte nek, korte, afgeronde vleugels, een grote kop met grote ogen en een lange, dolkvormige snavel, geschikt om vissen mee te vangen en vast te houden. De poten zijn syndactiel; de voortenen zijn gedeeltelijk aan de basis met elkaar vergroeid. IJsvogels hebben een vrij uniforme, gedrongen bouw met een rechte, dolkachtige snavel. De kleuren verschillen wel sterk, sommige soorten hebben blauwe of rode kleuren, andere zijn zwart met wit van kleur. De ijsvogel heeft echter een overwegend blauwe kleur, waarbij de veren van de kop en vleugels iriserend blauwgroen zijn maar op het midden van de rug lichter tot kobaltblauw. De staartveren zijn echter weer wat donkerder. De veren aan de borst en buikzijde zijn warm oranje gekleurd en steken hiermee duidelijk af. Van de snavel tot achter het oog is op de wang een oranje oogstreep aanwezig, die abrupt overgaat in een heldere witte streep, ook de keel van de ijsvogel is wit. De poten zijn oranje tot rood van kleur. De mannetjes zijn enkel van de vrouwtjes te onderscheiden aan de kleur van de basis van de ondersnavel, die bij het vrouwtje dofrood is en bij het mannetje net zo zwart als de bovensnavel. Juvenielen onderscheiden zich van volwassen exemplaren door het valere verenkleed met donkergrijs gerande borstveren, gevlekte kruin, lichtere snavelpunt en donkerbruine poten.

De lichaamslengte bedraagt ongeveer 16 tot 20 cm, de spanwijdte is 24 tot 26 cm en het lichaamsgewicht loopt uiteen van 34 tot 44 gram.

De ijsvogel is in noordelijk Europa onmiskenbaar door zijn tekening, soorten uit andere werelddelen kunnen echter sprekend op de ijsvogel lijken.

Het geluid van de ijsvogel is divers; er kunnen diverse kwetterende schelle, kwelende en fluitende geluiden worden geproduceerd. Het mannetje lokt het vrouwtje met een hoge, fluitende ‘tjieieiet’ of ‘tieietuu’, die hij vaak tijdens de vlucht laat horen. Bij opwinding worden korte, herhaalde ‘titi-titi’ geluiden geproduceerd.

Leefwijze

De ijsvogel heeft een snelle, rechte vlucht, vaak vlak langs het wateroppervlak. Hij kan op deze manier snelheden bereiken van maximaal 80 kilometer per uur. De vleugelslag is snorrend, afgewisseld met een korte glijperiode. Hierdoor is er van een ijsvogel in vlucht zelden meer te zien dan een blauw-oranje flits.

Het waterdichte en isolerende verenkleed van de ijsvogel bestaat uit korte, dichte veren die tot zes keer per dag gepoetst en gekamd worden. Dit kan per keer 15 tot 20 minuten duren. De ijsvogel kent een voor vogels unieke poetsbeweging: hij wrijft over zijn kruin met de binnenkant van zijn vleugel. Ook neemt de ijsvogel regelmatig een bad. Vooral ouderdieren baden aan het einde van de periode waarin de jongen in de nestkamer worden gevoerd. Het nest is rond die tijd bevuild met een laag braakballen. Tijdens het baden duikt de ijsvogel onder water, alsof hij aan het vissen is, om enige seconden in het water te blijven of gelijk weer het water te verlaten en opnieuw te duiken. Dit wordt vervolgens zo’n twintig keer herhaald.

Voedsel en jacht

De ijsvogel is een carnivoor, meer specifiek een piscivoor, en jaagt voornamelijk op kleine vissen als modderkruipers, voorns, barbelen, jonge vlagzalmen en tiendoornige stekelbaarsjes, aangevuld met jonge forellen, baarzen, snoeken en karpers, alvers, gambusia’s, driedoornige stekelbaarsjes en kwabalen. Ook garnalen, rivierkreeften en andere kreeftachtigen, amfibieën als salamanders, kikkers en kikkervisjes, insecten als libellen, kevers, waterinsecten en larven en weekdieren als zoetwaterslakken staan op het dieet. Prooidieren zijn meestal 3 tot 5 cm lang, maximaal 7 cm. Vissen beslaan zo’n 78% van het dieet.

De ijsvogel is vaak te vinden op een vaste uitkijkpost nabij het water vanwaar hij zijn prooidieren gadeslaat. De ijsvogel zit meestal onbeweeglijk stil op zijn uitkijkplaats, vaak met de vleugels gespreid en de snavel half open. De uitkijkplaats bevindt zich zo’n één tot drie meter boven het water. Een tak die over het water uitsteekt is hiervoor geschikt maar ook beschaduwde overhangende struiken worden hiervoor wel gebruikt. Met zijn scherpe ogen kan hij in helder water de precieze positie van zijn prooi bepalen, waarna hij met snavel naar voren op zijn prooi duikt. De prooi bevindt zich meestal niet meer dan 25 cm onder het wateroppervlak. Als een visje zich laat zien wordt het met een snelle duikvlucht verschalkt. Iedere ijsvogel heeft zijn eigen favoriete uitkijkplaats vanwaar hij duikt. Als de uitkijkplaats te laag is, vliegt hij eerst omhoog waarna hij naar beneden duikt. Ook kan de vogel boven het water “bidden”. Aan de kust wordt vanaf een rots, een pier of een paal gejaagd. Soms wordt ook buiten het water gezocht naar voedsel, zoals in de lucht, hier worden insecten gevangen.

Bij het jagen op vis duikt de ijsvogel bijna loodrecht op zijn prooi, waardoor hij met hoge snelheid het wateroppervlak kan doorbreken. Om deze snelheid te ontwikkelen slaat hij tijdens de duik kort met zijn vleugels. Bij voldoende snelheid kan hij tot een diepte van een meter duiken, maar meestal duikt hij niet meer dan enkele decimeters. Om de ogen te beschermen tegen het water gebruikt de ijsvogel zijn knipvlies, dit is een extra ooglid dat half doorzichtig is en door een reflex als een duikbril over het oog schuift tijdens het duiken. Het wordt ook gesloten als de vogel de veren poetst, om beschadiging door de klauwen te voorkomen.

De ijsvogel verlaat direct na de vangstpoging het water. Met één slag van de korte, sterke vleugels kan hij zich uit het water heffen en wegvliegen. Hij vliegt hierna naar een zitplaats, waar hij het visje doodslaat tegen de tak waar hij op zit. Hierna wordt de prooi in zijn geheel doorgeslikt met de kop eerst. Zo wordt voorkomen dat eventuele stekels van de prooi zich vastzetten in de keel en de vogel zouden doen stikken. Mocht de ijsvogel de vis niet met zijn snavel kunnen draaien dan wordt deze eerst in de lucht gegooid. Onverteerbare delen als graten, schubben en chitineresten worden in een kleine, ovale braakbal uitgebraakt.

Sociaal gedrag

De ijsvogel leeft voornamelijk solitair, in het broedseizoen in paarverband. Een paartje heeft een eigen territorium, dat honderd meter tot een kilometer van een rivieroever kan beslaan. Het paartje is zeer territoriaal in de broedtijd en tolereert geen andere ijsvogels. Een indringer wordt over het water achtervolgd, waarbij de ijsvogel harde kreten slaakt. Soms monden deze aanvallen uit in gevechten, waarbij de ijsvogels elkaar bij de snavels beetpakken en in het water vallen. Deze gevechten duren meestal maar kort, maar in Zweden is waargenomen dat een gevecht acht uur lang kan duren. Ook kleine zangvogels worden weggejaagd.

’s Winters heeft de ijsvogel soms een groter territorium, dat wel vijf kilometer kan beslaan. Het mannetje en vrouwtje leven in deze periode gescheiden van elkaar en zij bewonen allebei een deel van het territorium. Dit verdedigen zij ook, zelfs tegen elkaar, maar minder fanatiek dan tegen vreemde soortgenoten in het broedseizoen. In een groot deel van hun leefgebied zijn ijsvogels standvogels, maar in het noorden van het verspreidingsgebied, waar ’s winters de wateren dichtvriezen en de vogel daardoor geen vis kan vangen, trekt hij weg naar ijsvrije gebieden, bijvoorbeeld de kust. Alleen in deze periode kan de ijsvogel in groepen worden waargenomen. Ook in warmere streken kan de ijsvogel lokaal trekken. Het mannetje trekt over het algemeen later weg dan het vrouwtje. De vogel zoekt het daaropvolgende jaar zijn territorium weer op.

Voortplanting

De ijsvogel broedt meestal twee à drie keer per jaar. Bij zeer gunstig weer of verlies van een legsel kunnen tot vier legsels per jaar worden geproduceerd. Aan het begin van de paartijd in februari zoekt het mannetje een vrouwtje, meestal hetzelfde vrouwtje als het voorgaande jaar. Hij kan in de paartijd tot drie vrouwtjes bevruchten. De paarvorming begint met een achtervolging in de lucht, vlakbij de toekomstige locatie van het nest. Tijdens deze achtervolging slaakt het mannetje scherpe kreten. Hiermee wordt de agressie van de ijsvogels geneutraliseerd. Vervolgens strijken de dieren naast elkaar neer en richten ze zich verticaal op, met de snavel licht omhoog. Dit lijkt veel op de dreighouding, maar nu blijft de snavel gesloten en worden de veren op de rug en kruin niet opgericht. Het mannetje maakt in deze houding met zijn voorlijf zwaaiende bewegingen. Na de paarvorming begint het mannetje met de bouw van het nest. Als het mannetje een oud nest wil betrekken, toont hij dit door er geregeld in en uit te vliegen.

IJsvogels gebruiken in een steile oeverkant gegraven holen om te broeden. Het mannetje klemt zich eerst vast aan de oeverwand en graaft met de snavel de grond weg. Met de poten veegt hij de uitgegraven aarde uit het hol. Ook het vrouwtje helpt wat later mee met de bouw van het nest. In het begin houdt zij zich echter meer bezig met het verdedigen van het territorium. Het hol bestaat uit een licht oplopende gang met een doorsnede van 5 tot 5,5 cm en een lengte van 30 tot 100 cm. Deze gang eindigt in een ronde nestkamer, waarin de eieren worden gelegd. De opening van het hol bevindt zich meestal zo’n 90 tot 180 cm van de bodem, zelden lager dan 60 cm. Na een week is de nestgang klaar.

Na de bouw van het nest volgt de balts, waarbij het mannetje een visje aanbiedt aan het vrouwtje. De balts wordt meestal vergezeld door veel geroep. Zodra het vrouwtje de vis heeft geaccepteerd en opgegeten volgt de paring. Het vrouwtje toont haar paringsbereidheid door zich horizontaal te strekken. Het mannetje zweeft eerst kort boven haar in de lucht, om daarna op haar rug te landen. Om in evenwicht te blijven klappert hij met zijn vleugels, en soms houdt hij zich met zijn snavel vast aan de veren in haar nek. Gedurende een week vinden meestal meerdere paringen plaats. Bij volgende paringen wordt de balts echter overgeslagen.

De broedtijd duurt van maart tot juli en is afhankelijk van de geografische locatie. In West-Europa worden de eerste eieren half maart gelegd, in Oost-Europa half april. De nestkamer waarin de eieren worden gelegd is onbedekt. Een legsel bestaat uit vier tot acht (soms tot tien) witte, ronde eieren. Ze hebben een diameter van 2 cm en een gewicht van 3,6 tot 4,7 gram. Het broeden begint nadat het laatste ei is gelegd, waardoor de eieren ongeveer tegelijkertijd uitkomen. Het paar broedt samen de eieren uit; ze wisselen elkaar iedere twee tot vijf uur af.

Na een broedtijd van 18 tot 21 dagen komen de eieren uit. Bij het uitkomen zijn de kuikens blind en naakt. De eerste week worden ze warmgehouden door de ouders. Na deze week zijn de kuikens bedekt met korte veren. Zowel het mannetje als het vrouwtje verzorgt de jongen. Zij voeden de kuikens met insecten, visjes en kleine kreeftachtigen. De prooidieren zijn iets groter dan die waarmee de ouders zichzelf voeden. De prooi wordt met de kop naar voren aangeboden. De eerste twee à drie weken wachten de jongen in de nestkamer op de ouders. De bodem van de kamer raakt hierdoor bedekt met braakballen, visschubben, graten en andere voedselresten. De jongen zitten in het hol in een stervorm, met de snavels naar de opening gericht. Het kuiken dat voor de ingang zit krijgt als enige voedsel. Nadat één voedsel heeft gekregen, schuift de “ster” een plaats op. Op deze manier krijgt ieder jong voer. Als een jong probeert voor te dringen, wordt hij door de andere jongen met harde pikken gestraft. Later wachten de kuikens de ouders op in de gang.

Na 23 tot 27 dagen verlaten de jongen het nest en nemen plaats op een tak, waar ze nog twee tot vier dagen worden gevoerd. Vaak is het ouderpaar dan al begonnen aan een tweede legsel, in een andere nestgang. Na deze dagen worden de jongen weggejaagd of verlaten ze uit zichzelf het territorium van de ouders. Ze vormen het volgende jaar zelf een territorium. Na een jaar zijn ze geslachtsrijp.

De ijsvogel bereikt in de natuur een gemiddelde leeftijd van 7 jaar, maar in uitzonderlijke gevallen kan in het wild een leeftijd van 21 jaar worden bereikt. In gevangenschap gehouden exemplaren hebben minder last van natuurlijk verval veroorzaakt door parasieten, voedseltekort en ziektes en kunnen daardoor ouder worden, gemiddeld bereiken ze een leeftijd van 21 jaar.

 

 

IJsvogels (Alcedinidae) zijn een familie van vrij kleine tot middelgrote, vaak prachtig gekleurde vogels uit de orde scharrelaarvogels. De familie telt 95 soorten.

Zij vangen meestal vis door op een overhangende tak boven een riviertje te zitten en dan bliksemsnel het water in te duiken.

In de tropen komen ook soorten ijsvogels voor die niet leven van vis, maar van reptielen of grote insecten. Deze soorten zijn niet gebonden aan open water en kunnen in droge gebieden voorkomen.

In Europa komen twee soorten voor, de vrij algemene ijsvogel (Alcedo atthis) en de zeldzame Smyrna-ijsvogel (Halcyon smyrnensis).

Tot de ijsvogel-familie behoren ook de paradijsijsvogels of vlagstaartijsvogels (Tanysiptera), die uitsluitend op Nieuw-Guinea en omringende eilanden voorkomen. Deze vogels komen in uiterlijk overeen met de gewone ijsvogels, maar hebben sterk verlengde staartveren.

Ook komen op het Australische continent de kookaburra’s voor, grote ijsvogelsoorten die voornamelijk leven van insecten en reptielen. De bekendste daarvan is de gewone kookaburra, een van de meest karakteristieke vogels van Australië.

Taxonomie

  • Geslacht Actenoides
    • Actenoides bougainvillei (Solomonbosijsvogel)
    • Actenoides concretus (Maleise bosijsvogel)
    • Actenoides hombroni (Mindanao-bosijsvogel)
    • Actenoides lindsayi (Luzonbosijsvogel)
    • Actenoides monachus (Blauwkopbosijsvogel)
    • Actenoides princeps (Streepkopbosijsvogel)
  • Geslacht Alcedo
    • Alcedo atthis (IJsvogel)
    • Alcedo coerulescens (Torkooisijsvogel)
    • Alcedo euryzona (Blauwborstijsvogel)
    • Alcedo hercules (Blyths ijsvogel)
    • Alcedo meninting (Menintingijsvogel)
    • Alcedo quadribrachys (Glansijsvogel)
    • Alcedo semitorquata (Kobaltijsvogel)
  • Geslacht Caridonax
    • Caridonax fulgidus (Blauw-witte ijsvogel)
  • Geslacht Ceryle
    • Ceryle rudis (Bonte ijsvogel)
  • Geslacht Ceyx
    • Ceyx argentatus (Zilveren dwergijsvogel)
    • Ceyx azureus (Azuurijsvogel)
    • Ceyx cyanopectus (Blauwborstdwergijsvogel)
    • Ceyx erithaca (Jungle-dwergijsvogel)
    • Ceyx fallax (Sulawesi-dwergijsvogel)
    • Ceyx lepidus (Bosdwergijsvogel)
    • Ceyx melanurus (Filipijnse dwergijsvogel)
    • Ceyx Ceyx pusillus (Papoea-ijsvogel)
    • Ceyx websteri (Bismarckdwergijsvogel)
  • Geslacht Chloroceryle
    • Chloroceryle aenea (Groene dwergijsvogel)
    • Chloroceryle amazona (Amazone-ijsvogel)
    • Chloroceryle americana (Groene ijsvogel)
    • Chloroceryle inda (Groenbruine ijsvogel)
  • Geslacht Cittura
    • Cittura cyanotis (Blauwoorijsvogel)
  • Geslacht Clytoceyx
    • Clytoceyx rex (Kikkerbekijsvogel)
  • Geslacht Corythornis
    • Corythornis cristata (Malachietijsvogel)
    • Corythornis leucogaster (Witbuikijsvogel)
    • Corythornis madagascariensis (Madagaskardwergijsvogel)
    • Corythornis nais (Principé-IJsvogel)
    • Corythornis thomensis (Sao Tome-IJsvogel)
    • Corythornis vintsioides (Zwartsnavelijsvogel)
  • Geslacht Dacelo
    • Dacelo gaudichaud (Roodbuikkookaburra)
    • Dacelo leachii (Blauwvleugelkookaburra)
    • Dacelo novaeguineae (Kookaburra)
    • Dacelo tyro (Aru-kookaburra)
  • Geslacht Halcyon
    • Halcyon albiventris (Bruinkapijsvogel)
    • Halcyon badia (Witkeelijsvogel)
    • Halcyon chelicuti (Gestreepte ijsvogel)
    • Halcyon coromanda (Rosse ijsvogel)
    • Halcyon cyanoventris (Javaanse ijsvogel)
    • Halcyon leucocephala (Grijskopijsvogel)
    • Halcyon malimbica (Teugelijsvogel)
    • Halcyon pileata (Zwartkapijsvogel)
    • Halcyon senegalensis (Senegal-ijsvogel)
    • Halcyon senegaloides (Mangrove-ijsvogel)
    • Halcyon smyrnensis (Smyrna-ijsvogel)
  • Geslacht Ispidina
    • Ispidina lecontei (Bruinkopdwergijsvogel)
    • Ispidina picta (Afrikaanse dwergijsvogel)
  • Geslacht Lacedo
    • Lacedo pulchella (Zebra-ijsvogel)
  • Geslacht Megaceryle
    • Megaceryle alcyon (Bandijsvogel)
    • Megaceryle lugubris (Chinese reuzenijsvogel)
    • Megaceryle maxima (Afrikaanse reuzenijsvogel)
    • Megaceryle torquata (Amerikaanse reuzenijsvogel)
  • Geslacht Melidora
    • Melidora macrorrhina (Haaksnavelijsvogel)
  • Geslacht Pelargopsis
    • Pelargopsis amauroptera (Bruinvleugelijsvogel)
    • Pelargopsis capensis (Ooievaarsbekijsvogel)
    • Pelargopsis melanorhyncha (Grootsnavelijsvogel)
  • Geslacht Syma
    • Syma megarhyncha (Berggeelsnavelijsvogel)
    • Syma torotoro (Kleine geelsnavelijsvogel)
  • Geslacht Tanysiptera
    • Tanysiptera carolinae (Numforvlagstaartijsvogel)
    • Tanysiptera danae (Bruinrugvlagstaartijsvogel)
    • Tanysiptera ellioti (Kofiau-vlagstaartijsvogel)
    • Tanysiptera galatea (Vlagstaartijsvogel)
    • Tanysiptera hydrocharis (Aru-vlagstaartijsvogel)
    • Tanysiptera nigriceps
    • Tanysiptera nympha (Roze vlagstaartijsvogel)
    • Tanysiptera riedelii (Biakvlagstaartijsvogel)
    • Tanysiptera sylvia (Australische vlagstaartijsvogel)
  • Geslacht Todiramphus
    • Todiramphus albonotatus (Bismarckijsvogel)
    • Todiramphus australasia (Timorijsvogel)
    • Todiramphus chloris (Witkraagijsvogel)
    • Todiramphus cinnamominus (Micronesische ijsvogel)
    • Todiramphus diops (Noordmolukse ijsvogel)
    • Todiramphus enigma (Talautijsvogel)
    • Todiramphus farquhari (Kastanjebuikijsvogel)
    • Todiramphus funebris (Halmahera-ijsvogel)
    • Todiramphus gambieri (Tuamotu-ijsvogel)
    • Todiramphus godeffroyi (Markiezen-ijsvogel)
    • Todiramphus lazuli (Zuidmolukse ijsvogel)
    • Todiramphus leucopygius (Ultramarijnijsvogel)
    • Todiramphus macleayii (Macleay’s ijsvogel)
    • Todiramphus nigrocyaneus (Blauwzwarte ijsvogel)
    • Todiramphus pyrrhopygius (Roodrugijsvogel)
    • Todiramphus recurvirostris (Platsnavelijsvogel)
    • Todiramphus ruficollaris (Mangaia-ijsvogel)
    • Todiramphus sanctus (Heilige ijsvogel)
    • Todiramphus saurophagus (Hagedisijsvogel)
    • Todiramphus tutus (Borabora-ijsvogel)
    • Todiramphus veneratus (Tahiti-ijsvogel)
    • Todiramphus winchelli (Winchells ijsvogel)