Zwanen

Zwanen

https://nl.wikipedia.org/wiki/Zwanen

Zwanen zijn knappe vogels met een lange hals.  Ze zijn zwaargebouwd en stijgen moeizaam op van het water.  Daarbij trappelen ze en slaan ze krachtig met de vleugels.  Ze hebben een onhandige, waggelende gang.

Het voedsel bestaat meestal uit waterplanten, die gezocht worden in ondiep water.  Hierbij komt hun lange hals goed van pas.  Maar als er niet genoeg plantjes zijn, zal de zwaan zelfs kleine vissen eten.   De witte zwaan komt het meeste voor bij ons.   De zwarte zwaan komt hier niet zo vaak voor.  Het zijn standvogels.  Dat wil zeggen dat ze niet naar warme landen gaan tijdens de winter.  De jongen hebben het wel heel moeilijk als het hier toch heel koud zou zijn.

Bij zwanen is er geen verschil in verenkleed tussen het mannetje en vrouwtje.  Zwanen blijven hun hele leven bij elkaar.  Het nest bevindt zich op de grond of op een berg takken in of op de oever van water.  Het vrouwtje broedt ongeveer zes bleke eieren uit.    Ondertussen houdt het mannetje de wacht.  Bij het verdedigen van hun broedsel kunnen mannetjes behoorlijk wild zijn.  Hierbij durven ze zelfs dichtbij komende mensen aan te vallen.  De taak van het mannetje houdt niet op bij het bewaken van het broedende vrouwtje : bij sommige soorten helpt het mannetje ook met het uitbroeden van de eieren.

De nestjongen hebben nog een grijze of bruine donsvacht en een korte hals.   Al een paar uur na het uitkomen, kunnen ze lopen en zwemmen.  Het zijn dus nestvlieders.  Enkele maanden worden de jongen door beide ouders warm gehouden en bewaakt.   Voedsel zoeken doen ze zelf.

Een zwaan leeft in het wild ongeveer 20 jaar.  In de winter leven ze in troepen.

 

Onderstaande informatie komt van:

https://johanpauwels.wordpress.com/2013/06/23/wilde-zwaan/

Wilde zwaan

???????

wilde zwaan_klein_02

wilde zwaan_klein_03

Waarneming

Wilde zwanen zijn bij ons alleen ‘s winters te zien, vooral in Noord-Nederland.

Beste tijd voor waarnemingen

In West-Europa is de Wilde zwaan wintergast, van november tot in april.

Nadere gegevens

Orde: Anseriformes
Familie: Anatidae
Lengte: 1,40 tot 1,60 m
Gewicht: 7,4 tot 12,4 kg
Vleugelspanwijdte: 2,20 tot 2,45 m
Vlucht: krachtig, zonder vleugelgeruis Roep: luid, toeterend “ang”, in de vlucht hoger “aeng-heu”
Nest: een hoop plantendelen; in het midden de nestkuil, bekleed met dons
Legsel: 4 tot 6 eieren
Broedduur: 35 tot 42 dagen Levenswijze: in troepen; familiebinding Levensduur: tot 8 jaar

wilde zwaan_extra_06

De sierlijkste aller zwanen

Uiterlijk lijkt de Wilde zwaan spre­ kend op de Kleine zwaan, die niet minder wild is, maar inderdaad een stukje kleiner. Bovendien heeft de Wilde zwaan een rechtere hals en een wat boller voorhoofd. Ook de zwart-met-gele snavel laat verschillen zien: bij de Wilde zwaan is de gele vlek naar voren verlengd, dus groter dan bij de Kleine zwaan.

Zwart-met-gele snavel

De Wilde zwaan heeft een zwaar lichaam en een lange, rechte hals die eindigt in een langwerpige kop. Het verenkleed is uniform wit. De snavel basis is geel, de snavelpunt zwart. Het dier heeft brede, zwarte zwemvoeten. De jongen hebben in hun eerste levensjaar een licht­ grijsbruin verenkleed en een roze snavel.

wilde zwaan_extra_03

Algen en andere waterplanten

De Wilde zwaan eet vrijwel uitsluitend plantenkost en geen vlees, afgezien van zeer geringe hoeveelheden kleine onge­ wervelden. Hij heeft een duidelijke voorkeur voor waterplanten – zowel algen als kruidachtige hogere planten, waarvan hij zo ongeveer alles lust: wortels, stengels, bladen en zaden. Maar wanneer hij op het land verblijft, graast hij op malse grassen, zoals ook eenden en ganzen dat doen.

wilde zwaan_extra_04

Nest op de toendra

Wilde zwanen zijn overdag actief en leven gezellig; ze gaan voor het leven een paarbinding aan. In de voort­ plantingstijd vestigen de broedparen zich in het hoge noorden, in moerassen, aan meeroevers of ook wel langs de zeekust. Ze zoeken er een dichtbegroeid plekje op om er hun nest aan te leggen: een omvangrijk bouwsel van warrig gevlochten stengels en bladen. Het mannetje en het vrouwtje leveren beide een aandeel in de bouw.
Tijdens de baltsdans verheffen de zwanen zich hoog op de poten en spreiden hun vleygels. Een broedpaar blijft levenslang bij elkaar.

Een innig gezinsleven

De bodem van dat nest is bekleed met bladeren, donsveertjes en twijgjes. Het vrouwtje legt in de regel 4 tot 7 geelwitte eieren, in april of mei. Zij broedt die ook zelf, op haar eentje uit; dat duurt wel veertig dagen. De jongen zijn zogeheten nestvlieders, die weldra het nest verlaten, maar ze mogen nog lang rekenen op aandachtige verzorging. Hun moeder draagt ze mee op haar rug en verdedigt ze zo nodig met grote felheid; daarbij helpt trouwens ook het mannetje. Ongeveer 90 dagen na het uitkomen maken de jongen hun eerste vlucht.
Het voedsel van de jongen is in alle fasen van hun groeiproces aanzienlijk gevarieerder dan dat van de volwassen dieren; het omvat naast waterplanten ook allerlei klein gedierte zoals wormen, insecten en weekdieren.

Vliegtechniek

De vlucht van de Wilde zwaan is heel sierlijk en gaat gepaard met minder vleugelgeruis dan bij verwante soorten. Daarentegen komen de dieren, vanwege hun forse postuur, minder makkelijk los van het water, en altijd met veel lawaai. Een Wilde zwaan heeft ook meer ruimte nodig voor de landing; daarbij trekt hij met de voeten een lang spoor in het water om af te remmen.

Verwante soorten

Veruit de algemeenste verwant van de Wilde zwaan is de Knobbelzwaan (Cygnus oIor’!, die in West-Europa talrijk in het wild voor­ komt en ook broedt, maar hier in hoofdzaak afstamt van uit Zuidoost-Europa ingevoerde, verwilderde parkvogels. Hetzelfde geldt voor de Zwarte zwaan (Cygnus atratus) uit Australië. De Kleine zwaan (Cygnus columbianus bewickl) is bij ons wintergast; hij broedt op de toendra van Rusland en Siberië, nog verder noordwaarts dan de Wilde zwaan. De Amerikaanse vorm (de Fluitzwaan, C. columbianus columbianus) is bij ons een zeer zeldzame dwaalgast.

Niet verwarren met …..

wilde zwaan_extra_05

de Knobbelzwaan (Cygnus o/O/l; die heeft een oranje snavel met een zwarte knobbel erop.

Een wilde, vrij schaarse wintergast

In de zomer bewoont de Wilde zwaan vochtige plaatsen in het hoge noorden, maar in het winterhalfjaar trekt hij zuidwaarts, naar gebieden met een zachter klimaat; sommige dringen zelfs tot Frankrijk door. Bij ons zie je ze nooit in grote aantallen, maar als je ‘s winters langs plassen of rivieren dwaalt, krijg je er geregeld een paar te zien.

Altijd bij water

In de zomer bewoont de Wilde zwaan vochtige plaatsen met een rijke begroeiing, zoals meren, plassen en moerassen, maar ook wel graslanden en plaatselijk zeekusten. ‘s Winters vestigt hij zich elders, maar ook dan bij water: vaak in lage akkergebieden of ondergelopen weilanden, of ook wel aan zee.

wilde zwaan_extra_02

Wilde zwanen zijn gezellig levende dieren, die in groepen leven en onderweg zijn.
De Trompetzwaan (Cygnus buccinator) uit Amerika heeft een iets andere snavel, maar lijkt overigens op onze Wilde zwaan, zowel uiterlijk als door zijn gedrag. De populaties van de Trompetzwaan zijn sterk geslonken, en de soort is nu beperkt tot Alaska; alleen de Beringstraat houdt beide verwante soorten gescheiden.

Status van de soort

De Wilde zwaan is in West-Europa wettelijk beschermd, maar de soort staat in zijn broedgebieden bloot aan bedreigingen. Als gevolg van illegale jacht en vervuiling door industrie en landbouw lopen de aantallen zowel in Siberië als in Europa geleidelijk terug.

Koers zuid

Als de winter voor de deur staat, trekken alle Wilde zwanen weg naar meer zuidelijk gelegen gebieden. Die uit Ijsland zakken af naar de Britse eilanden en Noord-Frankrijk. De Scandinavische zwanen reizen minder ver, naar Denemarken, Duitsland en ook ons land. De Siberische Wilde zwanen strijken neer in de kustgebieden van de Zwarte en de Kaspische Zee.

Wilde zwanen in onze omgeving

Overwinterende Wilde zwanen zie je bij ons van november tot eind april, met een piek van december tot februari. Ze houden zich vooral in Noord-Nederland op (Friesland, Noord-Holland, Flevoland), doorgaans in kleine groepjes. Bij barre vorst trekken ze verder naar het Deltagebied of zelfs naar Frankrijk. In koude winters zijn de aantallen groter dan in zachte winters; dan zoeken meer zwanen uit Denemarken en het Oostzeegebied hier hun toevlucht. Vanaf maart gaan de dieren weer op weg naar het noorden; eind april zijn de meeste uit ons land verdwenen. Broedgevallen zijn in West-Europa onbekend.

wilde zwaan_extra_01

Wilde zwanen broeden ‘s zomers in het noorden van Europa en Azië. De dieren trekken in de herfst ver naar het zuiden om te overwinteren.

Afnemende aantallen

De Wilde zwaan broedt in boreale gebieden, in het noorden van Europa en Azië. Men onderscheidt gewoonlijk drie deelarealen, als volgt:
– Ijsland, met een populatie van ruim 15.000 dieren;
– Scandinavië en Europees Rusland, met een populatie van naar schatting 60.000 dieren;
– Siberië, waar ongeveer 17.000 dieren leven.