Alkachtigen

Alkachtigen

https://nl.wikipedia.org/wiki/Alken_(vogels)

Alkachtigen lijken nogal op pinguïns.
Ze zijn nogal stuntelig op het land.
Hun poten zijn ook niet echt bedoeld voor een stevige wandeling, maar speciaal aangepast om te zwemmen.  Hun vleugels gebruiken ze ook onder water om op visjes en andere prooien te jagen.

De bekendste vogels in deze familie zijn de alk, de papegaaiduiker en de zeekoet.  Ze lijken niet alleen uiterlijk op pinguïns, maar ook hun manier waarop ze onder water ‘vliegen’ is opvallend.  Hun poten hebben zwemvliezen en dienen als roer.  Zo kunnen ze heel diep zwemmen.  er zijn zeekoeten gezien op 180 meter diepte.

soorten alkachtigen : 

kuifalk

papegaai-alk

dwergalk

geoorde dwergalk

gewone alk

kittlitz’ alk

marmeralk

Aziatische marmeralk

brilzeekoet

duifzeekoet

neushoornalk

papegaaiduiker

kuifpapegaaiduiker

gehoornde papegaaiduiker

reuzenalk

craveri’s alk

zilveralk

xantus’ alk

Japanse alk

zeekoet

dikbekzeekoet

cassins alk

zwarte zeekoet

kleine alk

 

Alk

Alkm

Kenmerken

Even groot als een Houtduif. En ook even groot als een Zeekoet. De Alk is op de bovenzijde zwarter dan de Zeekoet, doch op enige afstand is dit verschil niet te zien. Beide soorten zijn dan zwartwitte verschijningen die zwemmend vrij laag op het water liggen en zij zijn dan zo moeilijk van elkaar te onderscheiden dat bij Nederlandse trektelposten langs de kust slechts ongeveer één-tiende van de waargenomen vogels werkelijk op naam kan worden gebracht. Van dichtbij is er wel heel duidelijk verschil te zien tussen de Alk en de Zeekoet. Alken hebben een vrij hoge, stompe snavel met een witte verticale streep en in het zomerkleed een witte horizontale streep aan de bovenzijde van de snavel naar het oog.
De Zeekoet heeft een spitse snavel.

Biotoop

De Alk broedt in Europa op de rotskusten van Noorwegen, Noord-Rusland, IJsland, Groot-Brittannie, Finland, West-Groenland en in de Oostzee, en zelfs in enkele paren op Helgoland. Alken nestelen op donkere plaatsen in kolonies met verspreidliggende paren, vaak samen met Zeekoeten, in nissen en spleten en tussen rotsblokken op klifrijke kusten en op voor de kust liggende rotseilandjes.

Bijzonderheden

De alk is een typische zeevogel, die alleen in de broedtijd op het land aan te treffen is. De vogel broedt op rotswanden langs de Noord-Atlantische kust, waaronder de kusten van Noorwegen, de Britse eilanden en Frankrijk. De alk legt per broedsel slechts één ei. Het pasgeboren jong laat zich na ruim twee weken uit het nest vallen. De winter wordt op volle zee doorgebracht, waaronder ook de Noordzee langs de Nederlandse kust, maar niet in zulke grote getallen als de zeekoet.

Migratie

Alken overwinteren ’s winters bij voorkeur op ondiepe wateren in arctische tot gematigd warme atlantische wateren en komen daarbij tot in het westelijke deel van de Middellandse Zee. De broedkolonies zijn ’s winters verlaten en dan zijn de Alken naar de visrijke gebieden rond Schotland getrokken en verschijnen in die periode voor de kusten van Nederland en Belgie. Daar zijn zij echter het hele jaar door in kleine aantallen waar te nemen, voornamelijk langs de kust van Noord-Holland.

 

Papegaaiduiker

 

 

De papegaaiduiker (Fratercula arctica) is een opvallende vogel uit de familie van alken (Alcidae). Hij is gemakkelijk te herkennen aan het zwart-witte verenkleed en de grote, tijdens het broedseizoen felgekleurde snavel.

Door zijn uiterlijk en manier van voortbewegen wordt hij soms de clown der zeevogels genoemd, en ook wel eerbiediger de priester.

De papegaaiduiker wordt 28 tot 34 cm lang, heeft een vleugelspanwijdte van 50 tot 60 cm en weegt ongeveer 300 tot 700 gram. Hij eet voornamelijk vis. Hij komt voor in het Noord-Atlantisch gebied, waar hij in kolonies broedt in zelfgegraven holen op steile grazige hellingen op rotskusten. Hij overwintert op volle zee, verder van de kust dan andere alken. Aan de Nederlandse kust is hij zeldzaam.

In de winter is de snavel kleiner, in de nazomer verdwijnen de buitenste lagen. Het zijn acht verschillende stukjes en deze ‘plaatjes’ laten soms slechts gedeeltelijk los. Bij het duiken is dit een lastige belemmering. De Papegaaiduiker kan deze echter lostrekken met behulp van de nagel aan de buitenteen. Deze is halfcirkelvormig gekromd en staat niet recht vooruit, maar is zijdelings plat neergedrukt met de vlijmscherpe punt naar buiten.
Papegaaiduikers worden in Nederland en België gerekend tot de zeldzame wintergasten langs de kust. Hun broedgebieden bevinden zich aan de kusten van Groot-Brittannië en Ierland, Noorwegen, IJsland, Spitsbergen, Nova Zembla, Groenland en de noord-oostkust van Noord-Amerika. Ze broeden in kolonies, soms van enkele tientallen broedparen, soms van vele duizenden. Graag benutten ze hellingen met een uitzicht over de open zee. Daar graven ze nestgangen, die in lengte variëren van één tot twee meter.
Aan het eind van zo’n gang bevindt zich een ondiep kuiltje waarin plantenmateriaal en veren komen te liggen . Doorgaans wordt één ei (sporadisch twee) gelegd. Het is witachtig van kleur, soms voorzien van lichtbruine vlekjes. Het is erg groot:ruim 6 cm lang, 2 cm langer dan dat van een duif, die ongeveer even groot is als de papegaaiduiker. Het broeden vergt een week of zes en geschiedt hoofdzakelijk door het vrouwtje. Het jong wordt gevoed met visjes, die soms van grote afstand moeten worden gehaald. De snavel is dusdanig ingericht dat de vogels een flink aantal visjes tegelijk kunnen vasthouden. Op een gegeven moment laten de ouders het kind in de steek. Dit wordt op den duur erg hongerig en gaat buiten een kijkje nemen en fladder waggelt zeewaarts. Doorgaans vindt dit ’s nachts plaats, ook wel in de schemering. Dan vallen vele jongen ten prooi aan mantelmeeuwen en jagers. Dat de aantallen papegaaiduikers afnemen is echter voornamelijk te wijten aan vervuiling van de zee door chemisch afval en olie.
De vogels overwinteren in volle zee. Als ze sterven, zinken ze. Er bestaan drie ondersoorten:

Fratercula arctica arctica

Fratercula arctica grabae

Fratercula arctica naumanni

Papegaaiduikerm

Kenmerken

De papegaaiduiker is een opvallende vogel uit de familie van alken (Alcidae). De papegaaiduiker is gemakkelijk te herkennen aan het zwartwitte verenkleed en de grote, tijdens het broedseizoen felgekleurde snavel.

Biotoop

Broedt in enorme kolonies bovenop kliffen, in zelfgegraven holen of onder rotsblokken. Overwintert op zee.

Bijzonderheden

De papegaaiduiker is een regelmatige maar vrij zeldzame gast die ieder jaar gedurende de winter is waar te nemen langs de Nederlandse Noordzeekust. Het betreft dan meestal overwinterende of trekkende exemplaren uit Noorwegen en Brittannie. De soort leeft vaak ver buiten de kust en komt niet vaak dichtbij land, wat waarneming extra bemoeilijkt.

Migratie

Overwintert grotendeels zeer verspreid buiten de kust, zelfs tot in het pelgisch gedeelte van de Atlantische oceaan. Na het broeden verspreiden de soort zich als volgt; A) de Groenlandse en Newdoundland vogels blijven in de West Atlantische zone; B) De vogels uit de Ierse Zee en een aantal uit Noord Brittannie overwinteren in de Golf van Biscaye, Zuidwest Noorwegen en in de Noordzee; C) De vogels uit Moermansk, en zeer Noordelijk (tot Arctisch) Europa trekken in Westelijke en Zuidwestelijke richting, de jonge exemplaren zelfs tot Groenland. De meer Zuidelijke populaties trekken ook verder zuidelijk tot in Marokko.
De terugkeer naar de broedgebieden vindt meestal plaats tussen half maart en half mei, wat inhoudt dat de lente trek al vroeg in februari begint. De wintergebieden zijn nog weinig bekend en vergen meer onderzoek om de trekbewegingen in kaart te brengen.

 

zeekoet

Kenmerken

De zeekoet (Uria aalge) is een vogel uit de familie van alken (Alcidae). Ze worden 38 – 46 cm. groot met een spanwijdte van 61 – 73 cm. Het is de meest talrijke alk van de Britse eilanden en broedt in grote kolonies op smalle kale richels van steile kliffen.

Biotoop

Zeekoeten zoeken hun voedsel vanaf het water. Ze steken daarbij de kop onder het wateroppervlak en kunnen op die manier onder water kijken en naar voedsel zoeken.

Zeekoetm

Bijzonderheden

Zeekoeten, de naam zegt het al, zijn echte zeevogels die zelden of nooit in het binnenland te zien zijn. Hun hele leven verblijven ze op zee en alleen om te broeden komen ze aan land. Het leven op zee brengt ook een gevaar met zich mee: olie. Omdat zeekoeten ook regelmatig op het water verblijven om te rusten of voedsel te zoeken, vallen ze meer dan andere soorten ten prooi aan olie. In opvangcentra voor olieslachtoffers worden dan ook de meeste zeekoeten binnengebracht. Helaas, gaan ondanks de goede schoonmaakbedoelingen veel zeekoeten dood. Het verenpak is dan toch te beschadigd en de olie is ook al in de luchtwegen terecht gekomen. Stabiele trend, maar van sommige broedeilanden wordt achteruitgang gemeld door olievervuiling, slachtoffers van visnetten en jacht door de mens.

Migratie

De Zeekoet overwintert uit de kust, meestal binnen het broedgebied en sommige vogels zelfs in de buurt van de kolonies. Het verspreidingsgebied loopt van Zuid tot de West Mediterranee en van noord Amerika tot Korea, Japan en California. De Noordelijke grens wordt bepaald door de ijs condities. verspreiding na het broeden is zeer verschillend per populatie, van New Foundland tot Noorwegen en de Baltische Staten vaan standvogel, de Engelse en Ijslandse populatie trekt echter Westwaarts naar Noorwegen en de Noordzee. Trans-Atlantische trek is niet bekend, alhoewel sommige IJslandse exemplaren waarschijnlijk naar Groenland trekken. De meeste vogels vertrekken in juni augustus en keren terug in de broedkolonies maart-april. De trek is niet goed bekend en verdere studie is nodig.