Zwammen

groene-economie1

Zwammen

https://nl.wikipedia.org/wiki/Schimmels

http://www.paddestoelen.net/

Paddestoelen zoeken en vinden

Als je een paddestoel in de natuur ziet, dan zie je eigenlijk niet de gehele plant, maar slechts het vruchtlichaam van de plant, die zich volledig in de grond,

of in hout of in een substraat bevindt. Het eigenlijke lichaam van de plant onttrekt zich dus aan onze waarneming. Hij leeft dus “ondergronds” De voortplanting

bij paddestoelen gebeurt door middel van zogenaamde sporen. Deze moeten, om later weer tot paddestoelen te komen in gunstige omstandigheden van voeding, vochtigheidsgraad en temperatuur op een groeiplek tot ontkieming komen. De bosbodem bijvoorbeeld is voor de meeste paddestoelen zeer geschikt, omdat deze

vocht en warmte lange tijd kan vasthouden.

In deze gunstige omstandigheden kunnen de sporen tot kieming komen. Daarbij vormt zich een kiemdraad, die uitgroeit tot een primaire zwamvlok. Om de groei

verder te laten gaan, dient deze zwamvlok zich te verenigen met een andere zwamvlok, die een andere lading draagt. Men onderscheidt daarbij positieve en negatieve

zwamvlokken. Zwamvlokken van die twee types versmelten zich via de zogenaamde zwamdraden en vormen vervolgens een secundaire zwamvlok (mycellium), die zich

snel vertakt tot een dicht netwerk. Dat is dan de zwamvlok, die later de vruchtlichamen voort zal brengen. Deze zwamvlok, vertakt zich sterk en doorgroeit de voedingsbodem in alle richtingen en verzorgt daarmee net als bij bovengrondse planten voor voldoende basis om de vruchtlichamen voort te kunnen brengen.

Pas in het eindstadium van deze uitgroei ontstaan bovengronds de vruchtlichamen, die men paddestoelen noemt.

Eerst worden er kleine opzwellingen gemaakt, die zich bij voldoende voedsel en vocht snel vergroten tot de ons bekende paddestoelen. Elke soort heeft zo zijn eigen

vorm, grootte en kleur. In deze paddestoelen worden de nieuwe sporen gevormd, die dan weer voor het nageslacht zullen zorgen.

De cirkel is dan weer rond. Het proces van kieming enzovoort kan zich weer voltrekken.

Alvorens u zich op het verzamelen van paddestoelen werpt echt een aantal opmerkingen hierover.

Ten eerste is het natuurlijk niet zo, dat u paddestoelen mee naar huis moet nemen. Het mag wel. Maar ze gewoon te laten staan op de groeiplaats heeft de voorkeur

boven het wegnemen en mee naar huis nemen, om ze daar als voedsel te gebruiken, of zomaar voor de aardigheid mee te nemen.

Als u tot meenemen en eten gaat besluiten houdt dan een aantal voorwaarden in het hoofd.

*Verzamel alleen paddestoelem, waarvan u zeker weet, dat ze eetbaar zijn. Laat de andere staan, tenzij u ze voor bestudering meeneemt.

*Verzamel bij voorkeur jonge, maar niet al te jonge exemplaren. Oude paddestoelen zijn week en onsmakelijk en kunnen zelfs schadelijk zijn.

*Neem de volledige paddestoelen mee, omdat de steel vaak een uitstekend herkenningsmiddel geeft.

*Maak de paddestoelen ter plaatse schoon. Slechte plekken eraan dient u liever direct te verwijderen.

*Gebruik stevige transportmiddelen, zoals mandjes, blikken, dozen en emmers. Neem ze niet mee in een plastic zak, of in een van uw jaszakken.

*Verwijder bij het reinigen thuis alleen de oude buisjes en de huid van de hoed, als dat nodig is.

*Beschadig geen paddestoelen voor de lol. Verheug u alleen in de schoonheid ervan!

*Laat oneetbare paddestoelen staan, als u die aantreft. Ze zijn misschien niet voor u van belang, maar vaak voor anderen des te meer.

*Verwerk de meegenomen paddestoelen thuis direct. Indien u ze niet direct bereidt, dan deze op een luchtige, koele plek ter droging uitspreiden.

Doe ze niet in de koelkast, maar bijvoorbeeld op een balkon of bij een open raam.

*Indien u verdachte verschijnselen bemerkt bij het consumeren van paddestoelen, dan dient u onverwijld een arts in te schakelen!

Voordat we nader op de soorten in zullen gaan eerst even een plaatje met wat verduidelijking van de verschillende delen van de paddestoelen.

paddestoel

 

Zo, met deze wetenschap in uw bagage, kunt u zich voorzichtig op pad begeven om uw ontdekkingen te doen in de wereld van de paddestoelen.

Hieronder treft u een reeks van plaatjes, foto’s en teksten aan van wat soorten, die u zoal in de natuur aan kunt treffen.

De eerste voorzichtige start gaat over de zogenaamde Boleten. Meestal zijn deze eetbaar, doch enkele ervan zijn dat beslist niet.

Per soort staan de eigenschappen aangegeven. Lees dat deel dan ook aandachtig door!

 

-Eekhoorntjesbrood (Boletus edulis)

eekhoorntjesbrood

De hoed (5 tot 30 cm) heeft lichtbruine tot donkerbruine kleur. Aanvankelijk is hij droog, maar bij vochtig weer wordt hij wat glibberig. Het uiterlijk is

kussenvormig. De buisjes zijn eerst wit. Later ontstaat een geelgroene kleur. De steel is eerst buikig, daarna knotsormig en tenslotte vaak helemaal rond.

De steel is eerst meestal wit of bleek, later bruinachtig verkleurend. De bruine kleur van de steel is echter altijd lichter dan die van de hoed. In de lengte

richting vertoont hij een netvormige witte tekening. Het vlees is dik en voornamelijk wit. Onder de opperhuid is de kleur wat bruinachtig. Het verkleurt niet.

Deze paddestoel heeft een aangename reuk en smaak. Hij is te vinden in loof- en naaldbossen, maar ook in grazige lanen en op grazige plaatsen.

Het is een voortreffelijk eetbare paddestoel, maar wordt spoedig door maden aangetast. Dus snel bereiden is een must!

Hij is beschikt voor braden en smoren en ook om in te maken voor gebruik in soepen en slaatjes.

Hij kan gemakkelijk verwisselt worden met de bittere boleet, die roze buisjes heeft. Deze laatste is licht giftig! Oppassen geblazen dus!

 

-Bittere Boleet (Tylopilus felleus)

bitterboleet

 De hoed (4 tot 12 cm) heeft een grauwolijfkleur, en deels licht– tot donkerbruin. De opperhuid is viltig tot glad en is niet aftrekbaar. De buisjes zijn

 wit, soms roze tot roodachtig geel. Na druk lopen ze bruin aan. Bij de steel worden de buisjes korter. Bij ouderworden zakken ze kussenvormig uit.

 De steel heeft een knol- tot knotsvormige basis en is geel tot bruinachtig. Deze is overtrokken met een bleekgele nettekening.

 Het vlees is wit, stevig en later sponsachtig. Het vlees van de steel is vezelig.

 De geur is weinig opvallend. De smaak is bitter (uitstekend voor de herkenning)

 Deze soort komt uitsluitend voor in naaldbossen.

 Er kan gemakkelijk verwisseling plaatsvinden met Eekhoorntjesbrood in een jog stadium. Alhoewel de giftigheid niet bijzonder groot is, kan 1 exemplaar

 de smaak van de rest van de vondst geheel bederven. Laten staan dus is het parool!

 

-Kastanjeboleet (Xerocomus badius)

Kastanjeboleet

De hoed (5 tot 12 cm) is kastanjebruin tot roodbruin en soms grauwbruin. De opperhuid is viltig-fluwelig, nat en droog. Bij vochtig weer wordt deze glibberig.

 Hij is half bolrond. In een later stadium wat ongelijk hobbelig afgevlakt. De buisjes zijn bleekgeel tot groenachtig geel en verkleuren naar blauwgroen bij druk.

 Ze zijn met de steel vergroeid, maar rondom de steel enigszins uitgerand.

 De steel is vrij slank en meestal iets gekromd. De kleur is citroengeel tot geelachtig bruin en vaak wat vezelig gestreept. Hij is massief en mist een netwerk.

 Het vlees is bleekgeel. Bij druk ontstaat er een blauwachtige kleur, die onder de opperhuid roodachtig aanloopt. Jonge exemplaren zijn stevig. In een later stadium

 wordt het sponsachtig.

 De geur en smaak zijn aangenaam. Het komt in de buurt van noten of fruit.

 Deze soort komt voor in alle soorten bossen. Vooral op open plaatsen en aan de randen van de bossen. Ook op de heide en in moerasgebieden treft men hem aan.

 Hij is zeer goed eetbaar. Eigenlijk vergelijkbaar met Eekhoorntjesbrood. Verwisseling net de Bittere boleet kan weer gemakkelijk ontstaan. Oppassen dus!

 

-Fijnschubbige boleet (Suillus variegatus)

Fijnschubbige boleet

 U vindt deze soort op zandgrond bij dennen en op de heide.

 De reuk is heel apart. Het is een enigszins zurige geur.

 De hoed (6 tot 15 cm) is goudgeel of olijfoker van kleur. De hoed is aanvankelijk met kleine haarvlokjes bedekt, die later bij regen en ouderdom verdwijenen.

 De huid is droog, bij vochtig weer iets slijmerig. De hoed is halfbolvormig, later onregelmatig gevormd. Dan wordt hij ook wat vlakker met een scherp ingerolde rand.

 De buisjes zijn geel, later olijfdonkerbruin en worden blauw bij druk. Bij de steel lopen ze iets af, daarbij een nauwe opening overlatend.

 De steel is rolrond met een kleur, die overeenkomt met de hoed, maar dan iets lichter. Hij is bij de basis iets viltig, maar voor de rest geheel glad.

 Het vlees is gelig wit. Bij druk verkleurend naar blauwachtig. De smaak is mild.

 Deze soort is goed eetbaar en ook geschikt voor droging. Hij lijkt iets op de Koeieboleet. De buisjes van deze soort zijn echter veel wijder en driehoekig.

 

-Rode fluweelboleet (Xerocomus chrysenteron)Rode fluweelboleet

 Je kunt deze soort vinden in naald- en loofbossen en dan vooral op open plaatsen. Ook bosweiden en bosranden komen in aanmerking.

 De groeiperiode loopt van juli tot november.

 De hoed (3 tot 10 cm) is meestal grauw tot donkerolijfgroen. Afhankelijk van de standplaats kan hij er ook wel gelig tot roodbruin uit zien.

 De hoed is vaak wat splijterig en op die plaatsen is de opperhuid roodachtig. Aanvanelijk is de hoed halfbolrond. Later vlakt hij wat af.

 De buisjes zijn geel tot geelgroen. Bij druk verkleuren ze naar vuilgroen. De openingen zijn groot en wat hoekig. De buisjes zijn met de steel vergroeid.

 De steel is vrij slank en veelal iets gebogen. Hij is vrij stevig. De kleur is geel tot bruingeel en plaatselijk rood aangelopen.

 Het vlees is bleekgeel tot geel en in later stadium bijna wit. Het vlees van de steel is vuilrood. Op breukplatsen blauw tot roodachtig.

 In het laatste stadium wordt het vlees erg sponsachtig.

 De reuk is aangenaam. Het heeft iets van vruchten. De smaak is mild.

 Over het algemeen is het een goed eetbare paddestoel, maar dan vooral in het jonge stadium. De soort heeft nogal last van parasieten.

 

-Fluweelboleet  (Xerocomus subtomentosus)

Fluweelboleet

 De hoed (3 tot 12 cm) is grauwgeel, grauwbruin tot olijfbruin. De opperhuis is niet aftrekbaar. barst vrijwel nooit, is droog en dof fijnviltig tot zeemleerachtig.

Aanvankelijk is hij halfbolrond en in een later stadium vlakt hij wat af. De buisjes zijn helder goudgeel. later groenachtig tot bruin. Ze verkleuren niet bij druk.

Het buisjesdeel is gemakkelijk van de hoed te verwijderen. De openingen zijn groot en hoekig.

De steel is rolrond, bleekgeel tot roodbrin en korrelig viltig.

Het vlees is vrij stevig, in de hoed vrijwel wit en gelig in de steel. Op breukplaatsen bijna niet verkleurend.

De reuk is fruitachtig. De smaak is mild.

Je vindt de soort in naald- en loofbossen en op de heide.

De soort is prima eetbaar. Komt echter niet veel voor. Daarom is laten staan beter dan meenemen.

 

-Bruine ringboleet (Suillus luteus)

Bruine ringboleet

De hoed (5 tot 12 cm) is bruinachtig geel tot chocoladebruin. De opperhuid is kleverig en deels aftrekbaar. Hij heeft een vochtige en kleverige donkerbruine slijmlaag.

 Bij droog weer ziet hij er fluweelachtig uit. De hoed is aanvankelijk hoog half bolvormig, later half bolrond. De buisjes zijn heldergeel tot botergeel en later bruingeel.

 Ze zijn met de steel vergroeid en zijn goed van het hoedvlees te scheiden. De openingen zijn zeer nauw.

 De steel is witachtig, massief en heeft een ring, die wit is en later tot bruinviolet verkleurt. Boven de ring is de steel bruingepunt.

 Het vlees is geligwit, zeer week en vooral sappig.

 De reuk is aangenaam en fruitachtig. Hij smaakt ietwat zurig.

 U vindt deze soort op lichte plaatsen en aan de randen van de dennenbossen.

 De soort is prima eetbaar na het verwijderen van de opperhuid.

 

-Gele ringboleet (Suillus grevillei)

Gele ringboleet

 De hoed (3 tot 10 cm) is goudgeel tot bruingeel. De opperhuid is eerst slijmerig, bij droog weer is hij glanzend.

De buisejs zijn heldergeel tot bruinachtig, bij druk verkleurend naar roodachtig bruin. De openingen zijn nauw.

De hoedrand heeft aanvankelijk een gele kleur.

De steel is geel en is van een ring voorzien. Later verkleurt hij naar bruin. De ring verdwijnt dan grotendeels. Het deel boven de ring is dan goudegeel.

De steel is voorts vrij massief.

Het vlees is geel, bij breuk of doorsnijden in de steel wordt het vlees zwakroze. Het is sappig en zacht.

De reuk is fruitachtig. De smaak is mild.

U vindt deze soort voornamelijk in de buurt van de Larix.

Deze paddestoel is prima eetbaar en dan ook nog smakelijk. U dient dan bij voorkeur de jongen exemplaren te gebruiken.

 

-Rossige boleet (Leccinum aurantiacum)

Rossige boleet

De hoed (8 tot 25 cm) is roodbruin tot oranjerood. Aanvakelijk kegelvormig, daarna halfbolrond tot in een laatste stadium gewelfd.

 De opperhuid is niet aftrekbaar. Hij steekt over de hoedrand en vormt daar een soort lappenzoom. Bij vochtig weer is de hoed slijmerig.

 De buisjes zijn grauwgeel tot later zwartgrijs en staan vrij van de steel.

 De steel is licht grijsgeel en is voorzien van witachtige vlokkige schubben of strepen. In later stadium verkleurend naar roodbruin.

 Het vlees is eerst stevig maar wordt allengs slap en verkleurt naar zwart.

 De reuk en de smaak zijn aangenaam.

 U vindt deze soort in loof- en naaldbossen en dan vooral langs de paden en wegen. Standplaatsen bij ratelpopulieren hebben zijn voorkeur.

 Vooral in jong stadium is deze paddestoel prima eetbaar.

 

-Berkeboleet (Leccinum scabrum)

Berkeboleet

 De naam is al een aanduiding voor de vindplaats. U vindt deze soort voornamelijk in de buurt van Berken in lichte bossen en op de heide.

 De hoed van deze soort (4 tot 12 cm) is grauwbruin, roodbruin tot zwartbruin en is halfkogelvormig tot vlak. De opperhuid is niet aftrekbaar.

 Deze is glad en droog, maar bij vochtig weer enigszins kleverig. De buisjes zijn lichtgrauw bij druk verkleurend naar bruinachtig.

 Het buisjes deel is gemakkelijk van de hoed te scheiden en staan vrij van de steel. De openingen zijn klein en rond.

 De steel is slank, naar boven toe zich versmallend. De kleur is wit tot lichtgrauw. Ze zijn met donkerder schubben bedekt.

 Het vlees is wit en later naar grijzig verkleurend. In jong stadium is het vrij stevig. Later wordt het sponsachtig.

 De reuk en de smaak zijn aangenaam en enigszins zoetig.

 Voor gevaarlijke verwisselingen leent deze soort zich niet. De meeste verwante soorten zijn ook eetbaar.

 

-Melkboleet (Suillus granulatus)

Melkboleet

 De hoed (5 tot 10 cm) is goudgeel tot roestbruingeel. De randen zijn scherp ingebogen. De opperhuis is goed aftrekbaar. Meestal nogal slijmig.

Bij droog weer is hij glad en glanzend. De buisjes zijn botergeel tot olijfkleurig. De openingen zijn rond tot hoekig. In een jong stadium verwekken ze

melkachtige druppels. Vandaar ook de naam.

De steel is geel en vaak met gelige tot bruine korreltjes bezet. Dat zijn de opgedroogde melkdroppels. Hij is stevig en massief.

Het vlees is lichtgeel en verkleurt niet.

De reuk en smaak zijn aangenaam.

U vindt de soort in loof- en naaldbossen op kalrijke gronden van juni tot oktober.

Deze soort is dus eetbaar en zeer smakelijk. Gelijkende soorten zijn eveneens eetbaar. Dus er is bijna geen gevaar voor verwisseling!

 

-Koeieboleet (Suillus bovinus)

Koeieboleet

De hoed (3 tot 12 cm) is geel tot oker van kleur. Bij regen is hij kleverig. Hij is ook zeer elastisch en buigzaam

 De buisjes zijn geel tot grauwgeel en groenachtig. Ze lopen naar de steel toe af.

 De openingen zijn wijd en hoekig.

 De steel is geel, glad en opvallend kort.

 De reuk en de smaak zijn zwak fruitachtig.

 U vindt deze soort op zanderige bodem in dennenbossen.

 Deze paddestoel is matig eetbaar. U kunt hem dan ook beter laten staan.

 

-Satansboleet (Boletus satanas) flink giftig!!!

Satansboleet

 Deze soort is vrij zeldzaam en is vrij gemakkelijk te verwisselen met wat andere roodstelige en blauw wordende soorten.

 Ondanks, dat de smaak van deze soort mild is, kunt u er beter van af blijven ook al om de soort in stand te houden.

 Hij groeit op kalkrijke gronden in open loof- en naaldbossen.

 De reuk van de soort is licht onaangenaam. Soms lijkt het op een aaslucht.

 Het vlees is wit en stevig, soms naar blauwachtig. De steel is roodachtig en vrij gedrongen van uiterlijk. Van boven overheerst geel, naar de basis toe

 is de kleur grauw groen. Het geheel heeft een fijne rode nettekening.

 De hoed (6 tot 25 cm) is onregelmatig bochelig gewelfd en zilvergrauw tot licht beigegrijs van kleur. Hij voelt droog aan. De buisjes zijn geelgroen.

 De poriën zijn karmijnrood tot vuilgroen in een later stadium. Bij druk verkleurt dit deel tot blauwachtig.

 

-Pronksteelboleet (Boletus calopus) licht giftig !!!

Pronksteelboleet

 De hoed (3  tot 15 cm) is donkergroenbruin. Hij heeft een kussenvormig uiterijk met onregelmatige rand en een ingebogen opperhuid.

 Hij is vilterig en droog en vaak gespleten. De buisjes zijn eerst citroengeel en later groenig. Bij druk verkleuren ze wat naar blauw. De openingen zijn klein.

 De steel is aan de basis knolvormig en karmijnrood. Het bovenste deel is gelig met een tekening in dezelfde kleur. Bij het ouder worden verbleekt dit deel.

 Het vlees is wit tot geelachtig en krijgt een blauwzweem bij druk en doorsnijden. Die verkleuring verdwijnt weer snel.

 De reuk is onaangenaam, De smaak is eerst zoetig en kort daarna erg bitter.

 U vindt deze soort in beukenbossen maar ook in naaldbossen.

 Deze soort is oneetbaar en licht giftig Laten staan is maar het beste!

 

-Netstelige heksenboleet (Boletus luridus) licht giftig!!!

Netstelige heksenboleet

De hoed (4 tot 20 cm) is geelbruin tot vuilbruin, heeft een gewelfde vorm en is viltig. Dat viltige verdwijnt in een later stadium. De buisjes zijn oranjerood tot

 bruinrood. In een later stadium zelfs donkerpurper. Bij druk verkleurt dit deel tot blauwgroen of zelfs tot donkerblauw.

 De steel is in jong stadium bulkig. Later wordt hij iets langer. De kleur verloopt van purperrood aan de basis tot geeoranje aan de top. Er zit een grove

 nettekening op, die in de lengterichtig loopt.. Bij druk verkleurt de steel naar blauw.

 Het vlees is bleekgeel in de hoed. De steelbasis heeft een wijnrode kleur.

 De reuk is weinig opvallend. De smaak is zurig.

 Hij komt voor in gemengde loofbossen op leem- en kalkbodem.

 De soort is na 20 minuten afkoken eetbaar. Het afkook water dient weggegooid te worden (giftig). Bij eten ervan geen alcohol gebruiken ivm dan optredende

 misselijkheid en mogelijke hartklachten. Dat alles overziend kunt u er eigenlijk beter van afblijven!

 

-Heksenboleet (Boletus erythropus)

Heksenboleet

De hoed (4 tot 20 cm) is hoofdzakelijk donkerbruin, viltig en fluwelig. In later stadium kaal.

 Het buisjesdeel is geelbruin en loopt later groenblauw aan. De openingen zijn roodbruin. Deze kleur verloopt naar puperrood bij druk.

 De jonge exemplaren hebben een bulkige steel, die later iets verlengd wordt. Aan de basis is hij knotsvormig. Hij heeft roodkarmozijne vlokjes en puntjes op en gelige

 ondergrond in het middendeel. Er zit geen nettekening op. De kleur verloopt naar blauw bij druk.

 Het vlees is dik en goudgeel. Bij doorsnede verloopt de kleur al snel naar blauw. Later verbleekt dat weer.

 De reuk en de smaak zijn niet opvallend.

 U kunt deze soort vinden in in loof- en sparrenbossen op kalkarme bodem.Het is een goede eetpaddestoel.
Om verwisseling met soortgenoten te vermijden, dient u de controle op kenmerken zeer goed uitgevoerd te hebben.

 Bij twijfel gewoon maar laten staan.

 

De Boleten vertegenwoordigen een belangrijke groep binnen de paddestoelen.Naast de Boleten zijn er echter meer soorten van belang.Het vervolg van het overzicht gaat over de Zwammen. Deze onderscheiden zich van de Boleten grotendeels door hun algemeen uiterlijk en in het bijzonder het feit,
dat ze lamellen in plaats van buisjes hebben aan de onderzijde van de hoed. Daarnaast treft u in deze groep ook wat bijzondere soorten aan als de Bovisten ed.

 

-Groene knolzwam (Amanita phalloides) zwaar giftig!!!

Groene knolzwam

Deze soort is naast mooi echter dodelijk giftig. Afblijven dus als uw leven u lief is.

De hoed (5 tot 15cm) is olijfgroen, in later stadium wat lichter en verblekend. Op de hoed ziet u radiaal lopende strepen. In jong stadium zijn ze omegevn door

dikke witte lappen algemeen omhulsel. Vaak blijven er resten van achter op de uitgroeiende hoed. De rand van de hoed is ongestreept.

De lamellen zijn wit. Ze liggen dicht opeen en zijn vrij van de steel.

De steel is vrij slank en wit of olijfgroen van kleur. U ziet er een bandtekening op. De basis eindigt in een kogelronde knol met een dikke lappige beurs, die

vaak diep in de grond steekt. Bij oudere exemplaren verdwijnt de beurs deels. Bij twijfel dient u de soort uit te graven voor nadere bestudering.

De ring op steel is wit tot groenachtig en hangt af.

Het vlees is wit en alleen onder de hoed groenachtig. Het is vaak door slakken aangevreten. Wat overigens geen teken is voor eetbaarheid voor de mens!

De reuk is zoetig. Het komt in de buurt van honing en noten.

De smaak is mild. Proeven is echter zeer gevaarlijk. Dus altijd uitspuwen en nooit inslikken!

Men treft ze aan in eikebossen in de binnenduinranden, maar ook in parken en weides in de buurt van eiken. Hierdoor kan gemakkelijk verwisseling met

champions plaats vinden.

De kleur is erg variabel. Verwisseling kan dus gemakkelijk plaats vinden!

 

-Voorjaarsknolzwam (Amanita verna) zwaar giftig!!!

Voorjaarsknolzwam

 Deze soort komt voor in naaldbossen op kalrijke grond.

 Hij is dodelijk giftig, zodat u hem beter alleen kunt bekijken. Afblijven is het parool!

 De witte hoed kan tot 8 cm groot worden. Hij is hoofdzakelijk wit met een gelig midden. De lamellen zijn wit en hangen vrij van de steel.

 De steel is wit en bijna geheel glad. Met een knolvormige voet, die is omzoomd door een witte lappige vulta.

 Het vlees is wit. De soort wordt vaak door slakken aangevreten, hetgeen vooral niet betekent, dat u hem ook kunt eten!

 De reuk is onprettig. De smaak komt in de buurt van radijs.

 Verwisseling met de witte boschampion kan gemakkelijk plaats vinden. Voorzichtigheid is dus geboden!

 

-Panteramaniet  (Amanita pantherina) zwaar giftig!!!

Panteramaniet

De hoed (5 tot 10 cm) is geelbruin tot donkerbruin, bezaaid met vele kleine witte vlokjes, die contrasteren met de opperhuid. De hoedhuid is aftrekbaar,

 terwijl de rand ongestreept is. De lamellen zijn wit en vrij week. Ze staan dicht opeen en vrij van de steel.

 De steel is wit en heeft vlokkerige banden en een dikke nauwsluitende beurs. Op de steel lopen strepen in de lengterichting.

 Het vlees is wit en verkleurd onder druk naar wijnrood.

 De reuk en smaak zijn radijsachtig.

 U vindt deze soort meer in loofbossen dan in naaldbossen en dan vooral op zanderige grond.

 Deze soort is dodelijk giftig. U kunt er het beste van afblijven en alleen maar naar kijken. Dat is op zich al de moeite waard!

 

-Paarlamaniet (Amanita rubescens)

Paarlamaniet

 De hoed (4 tot 15 cm) is eerst kogelrond en daarna halfbolrond en vervolgens afgeplat. Dat proces verloopt vrij onregelmatig.

 Hij is vleeskleurig en vaak rood tot bruinachtig en is bedekt met platte meest kleine schubjes, die de kleur van de hoed zelf hebben.

 De opperhuid is deels aftrekbaar. De lamellen zijn wit, vrij breed, zacht en staan dicht opeen. Bij druk verkleuren ze naar rood.

 De steel is wit tot roodachtig en heeft een manchet. Boven de manchet is de steel gestreept in de lengterichting. Onder de manchet is hij vezelig

 of geschubt. Eerst is hij massief en later enigszins hol. De basis is knolachtig vergroeid.

 Het vlees is bleek roodachtig. Dit geldt ook voor alle vraatplekken.

 De reuk is onmerkbaar. De smaak is zoetig met een bijtende nawerking in de keel.

 De soort komt vrij algemeen voor in loof- en naaldbossen.

 Deze paddestoel is eetbaar na het aftrekken van de hoedhuid. Let op, want er kan gemakkelijk verwisseling met andere Amanieten plaats vinden.

 Deze kunnen vaak wel giftig zijn!

 

-Gele knolzwam (Amanita citrina) flink giftig!!!

Gele knolzwam

 Dit is bij uitstek weer een voorbeeld van hoe mooi en tegelijk gevaarlijk de natuur kan zijn. Deze soort is naast mooi ook flink giftig. Kijken daar gaat het dus

 eerst om!

 De soort komt voor in zandige bossen en dan vanaf de zomer tot in de late herfst.

 De hoed (5 tot 12 cm) is bleekcitroengeel met vele bleekbruingele velumresten, die bij het ouder worden meestal verdwijnen. De hoedrand is ongestreept.

 De lamellen staan vrij van de steel en zijn veeal wit met iets geelachtigs.

 De steel is wit tot bleekgeel. De basis heeft een scherp gevormde berande knol, die vooral bij jonge exemplaren op valt.

 De lange stelen worden omzoomd door gelige manchetten, die soms met de hoed blijven verbonden.

 Het vlees is wit. Hij ruikt een beetje naar rauwe aardappelen. Dat is zeer typerend en vaak al op afstand waar te nemen.

 De smaak is onaangenaam en erg scherp.

 De soort is dus flink giftig en u kunt er maar beter van af blijven. Verwisseling met de Champions is mogelijk!

 

-Porfieramaniet (Amanita porphyria) flink giftig!!!

Porfieramaniet

 Naast bijzonder mooi, is deze soort flink giftig. Dus liever alleen naar kijken!

 De hoed (5 tot 9 cm) is porfierbruin tot violetgrauw. Hij is voorts dunvlezig. De rand is glad en heeft leigrijze tot grauwviolette veluwresten.

 De lamellen zijn wit en staan grotendeels vrij van de steel.

 De steel heeft fijne schubben en ziet er daardoor wat getijgerd uit. Aan de onderzijde bevindt zich een grijsachtige kogelvormige knol, waarvan de bovenzijde de

 steel omsluit. De steel heeft een manchet met een geelwitte tot grauwviolette kleur. Deze manchet is enigszins hangend en voorts vluchtig.

 Het vlees is wit en violet onder de hoedhuid.

 De reuk lijkt wat op een aardappelkelder. De smaak is onaangenaam en wat radijsachtig.

 Deze soort komt voor in naaldbossen en dan vooral op zandgronden.

 

-Slanke amaniet (Amanita vaginata)

Slanke amaniet

 De hoed (3 tot 12 cm) is erg variabel. Hij is vooreerst dunvlezig. Hij begint hoog gewelfd, waarna hij spoedig uitvlakt en dan een centrale bult vertoont. De rand

 is gestreept en deels gegroefd. De kleur is zeer variabel en licht in het spectrum tussen geelbruin, via oranjebruin tot vaalbruin of grijsbruin.

 De lamellen zijn wit en staan dicht opeen.

 De steel is slank, hol en breekbaar. Hij ziet er bleek en vlokkig uit. Hij bezit geen manchet. Aan de basis zit een dunne vaak gescheurde maar vooral wijde vulva.

 Het vlees is wit en zacht. Hij heeft een haast onmerbare geur. De smaak is zoetig.

 Deze soort komt voor in loof- en naaldbossen en is vaf begin juni vindbaar.

 Door het ontbreken van een ring of machet is deze soort goed herkenbaar. De eetbaarheid is goed.

 

-Grauwe knolzwam (Amanita spissa)

Grauwe knolzwam

 De hoed (4 tot 12 cm) is asgrauw tot bruingrauw. Erop zitten grote witte vaak in cirkels getrokken veluwresten. De randen zijn glad. De lamellen zijn wit en

 staan dicht opeen. Bij de hoedrand zijn ze enigszins afgerond.

 De steel is wit en aan de basis knolvormig verdikt. Er zitten wat onduidelijke gordels wratachtige aanhechtsels op. De ring of manchet is afstaand en opvallend

 gestreept. Het vlees is wit, maar onder de hoedhuid grijs tot donkergrijs.

 De reuk heeft iets van radijs. De smaak is eerst zacht, maar later scherp.

 Deze soort komt voor in naaldbossen. Hij is vrij zeldzaam. Dus als u hem vindt, dan maar liever laten staan!

 

-Vliegenzwam (Amanita muscaria) flink giftig!!!

Vliegenzwam

 Deze soort duikt in allerlei verhalen over kabouters wel ergens op. Hij is dan ook een lust voor het oog. Vooral in een niet te oud stadium!

 De hoed is rood tot roodgeel (soms ook bruin bij de varieteit umbrina, die door de houdschubjes enige gelijkenis vertoont). De hoed is bezaaid met witte

 velumlapjes. De lamellen zijn zijn wit, staan dicht opeen en zijn afgerond.

 De steel is wit tot bleekgeel. Het manchet is is wit en afhangend. De steelbasis heeft dikke gerande knollen met erboven enkele vlokkige gordels.

 Het vlees is wit en geel onder de hoedhuid.

 De reuk en smaak zijn niet opvallend.

 De soort komt voor in zure loof- en naaldbossen. Bij voorkeur onder berken en aan de rand van het bos en op heides.

 De naam vliegenzwam stamt af van een oud Twents gebruik. Door boeren werden de zwammen met suiker bestrooid. Dat suiker vermengde zich op de hoed

 met het aanwezige gif (Muscarine). De vliegen aten daarvan en stierven een jammerlijke dood.

 De soort is niet of nauwelijks eetbaar, ook niet na behandeling. Afblijven dus en alleen maar van het kijken genieten!

 Wederom van Vanessa Ouweneel ontving ik een leuke foto van een licht beschadigd exemplaar. Nog een foto komt van Corn Dingemans, die dit exemplaar in de achtertuin aantrof.

 

-Weidechampignon 1 (Agaricus campester)

Weidechampignon

 De hoed (3 tot 15 cm) is eerst wit en daarna gelig en later bruinig in het midden. Hij heeft een gewelfde vorm, die later wat afvlakt.

 Hij is dikvlezig. De opperhuid is aftrekbaar, dik, glad, maar soms iets beschubd, De lamellen zijn rozerood tot chocoladebruin in rijper stadium.

 De steel is wit of met later een lichte kleurzweem van roze en geel. De basis is versmald. Hij is ook erg massief. De ring is wit en staat van de steel af.

 Hij is naar boven toe aftrekbaar.

 Het vlees is wit tot roodachtig en wat zachtroze aanlopend.

 De reuk komt in de buurt van vers gezaagd hout. De smaak is aangenaam kruidig.

 U vindt deze soort op bemeste paarden- en koeienweiden van mei tot oktober.

 Dit is een zeer goed eetpaddestoel als u de jongere exemplaren gebruikt. Let op dat u geen verwisseling maakt met sommige giftige amanieten!

 

-Carbolchampignon (Agaricus placomyces) flink giftig!!!

Carbolchampignon

De hoed (4 tot 10 cm) is wit met donkerbruine schubben. Bij wrijving ontstaat er een gele kleur op deze plaats. De lamellen zijn roze om later te verkleuren

naar donkerbruin.

De steel is hol hoofdzakelijk wit met gele plekken. De steelknol wordt bij het doorsnijden onmidelijk chroomgeel. Dat gegeven kunt u gebruiken voor de herkenning.

Het vlees is wit en wordt spoedig geel als het aan de open lucht wordt blootgesteld.

De reuk is zwak en lijkt wat op inkt of carbol. Bij koken wordt de lucht erg onaangenaam.

De smaak is weinig opvallend.

Deze soort komt voor in loof- en naaldbossen, maar ook in tuinen en parken. Hij is betrekkelijk zeldzaam.

Afblijven en alleen maar naar kijken lijkt verstandig, ook al omdat de soort flink giftig is.

 

-Weidechampignon 2 (Agaricus arvensis)

Weidechampignon2

 De hoed (10 tot 20 cm) is fors en dikvlezig. De kleur is wit tot witgeel en bij oderdom geel gevlekt. Hij heeft een zijdeachtig uiterlijk en is bedekt met kleine zwakke

 schubben. In droog omstandigheden is de hoed glanzend. De lamellen zijn wit of lichtgrijs om daarna te verkleuren naar bleek vleeskleurig met een grauwe inslag.

 In rijp stadium verkleuren ze verder tot zwart. De lamellen staan dicht opeen, zijn tamelijk breed en staan vrij van de steel.

 De steel is fors en stevig. Meestal is hij wit tot geligwit. Aan de basis is hij knotsvormig.

 Het vlees is wit tot roodachtig met een zachtroze ondertoon.

 Hij ruikt ietwat naar anijs. De smaak is aangenaam.

 U vindt deze soort op bemeste weidegronden, maar ook in tuinen, parken en bosranden.

 Dit is de beste eetchampion. Let op geen verwisselingen te maken met de Carbolchampion. Deze is flink giftig!

 

-Boschampignon (Agaricus silvaticus)

Boschampignon

 De hoed (4 tot 10 cm) is oker- tot donkerbruin. Hij ziet er schubbig uit op een witachtige ondergrond. Hij is kortvezelig en vrij dunvlezig.

 De lamellen zijn licht roodgrijs tot rozerood. Tenslotte verkleuren ze naar donkerchocoladebruin.

 De steel is slank en vrij dun, Naar de basis toe is hij verdikt en met wit mycellum bedekt. Hij is glad en kaal en heeft een afstaand manchet.

 Het vlees is wit tot levendig roze aanlopend. Drukplaatsen worden eerst levendig roze en daarna bruin.

 De reuk lijkt wat op uitgedoofde waskaars.

 De smaak is aangenaam.

 Deze soort komt voor in sparrenbossen op voornamelijk kalkrijke bodem.

 Het is een goede eetpaddestoel. Door de dunvlezigheid is de opbrengst echter vrij gering.

 

-Reuzenchampignon (Agaricus augustus)

Reuzenchampignon

 Van mevrouw M. Joosten uit Rutten ontving ik een aantal foto’s, die na wat gezoek hebben geleid tot de constatering dat het waarschijnlijk om exemplaren van de Reuzenchampignon

 gaat.

 Door op de eerste foto te klikken komt u bij de website van de familie Joosten, die als plantenkwekers door het leven gaan.

 De Latijnse benaming geeft al bloot, dat deze soort vooral vanaf augustus te vinden is. Men kan hem echter ook in september en oktober aantreffen

 Deze soort groeit voornamelijk op humusrijke grond.

 De hoed kan flink groot worden tot aan 25 cm toe.

 De lamelen zijn eerst wittig en verkleuren bij het rijpen naar donkerder tinten tot zwartig toe.

 De steel is stevig en recht en voorzien van een duidelijk manchet.

 De soort is in jong stadium prima eetbaar.

 

-Grote parasolzwam (Macrolepiota procera)

Grote parasolzwam

 Wat denkt u van dit kunstwerkje van de natuur?

 U vindt deze soort op open plaatsen en in de bosranden van vooral naaldbossen. Hoogst zelden ook wel in loofbossen.

 De hoed (10 tot 25 cm) is grof-bruinschubbig. De jonge hoeden zijn hoog en knopvormig een beetje gelijk trommelstokken.

 De lamellen zijn wit en week en staan zeer dicht opeen. Ze zijn vrij van de steel.

 De steel wordt tot 30 cm hoog en is bruinachtig getijgerd. Hij heeft een dubbele franjeachtige verschuifbare manchet.

 Het vlees is zacht en wit in de hoed. In de steel is het hard vezelig.

 De reuk is aangenaam. Hij smaakt wat naar noten.

 Deze soort is naast mooi een goede eetpaddestoel. Vooral de jongen exemplaren zijn voortreffelijk van smaak!

 

 -Knolparasolzwam (Macrolepiota rhacodes)

Knolparasolzwam

 De hoed (10 tot 15 cm) is bruin en bedekt met viltig vezelige schubben. De lamellen zijn fraai wit en staan vrij van de steel.

 De steel is wit en wordt bij aanraking roodbruin. De basis is knolvormig verdikt. Om de steel bevindt zich een onregelmatige manchet.

 Het vlees is wit en later aanlopend tot geelrood.

 De reuk is aangenaam. De smaak heeft iets van noten.

 U treft deze soort aan in naaldbossen en dan vooral in de humusrijke gedeelten.

 Jonge exemplaren zijn eetbaar. Oudere exemplaren zijn dat nauwelijks. U kunt ze beter laten staan.

 

-Smakelijke Russula (Russula vesca)

Smakelijke Russula

De hoed (5 tot10 cm) is vleesrood in jong stadium, later verloopt de kleur naar donkerrood. In jong stadium is hij half bolvormig, later plat hij wat af en verdiept

zich soms. De huid van de hoed bedekt meestal niet de rand. Deze vertoont daardoor een soort tandjes, die karakteristiek zijn voor de soort.

De lamellen zijn wit en staan dicht opeen. Op de snede staan roestige puntjes. De lamellen vertakken zich aan de basis.

De steel is wit, hard, stevig en massief. Aan de basis versmalt hij enigszins. Vaak zitten er roestkleurige vlekken op.

Het vlees is tamelijk dik en stevig. De opperhuid is slechts ten dele aftrekbaar.

De reuk is zwak of zelfs afwezig. De smaak is aangenaam en lijkt op noten.

U vindt de soort op droge plaatsen in gemengde bossen en dan vooral langs boswegen en bosranden.

Het is een prima eetbare paddestoel. Let erop de soort niet te verwisselen met de scherp smakende en giftige Braakrussula!

Van Arjen Hoogervorst ontving ik een foto van een wat ouder exemplaar van deze soort.

 

-Braakrussula (Russlula emetica) flink giftig!!!

Braakrussula

De hoed (5 tot 11 cm) is kersrood tot bloedrood. Hij is aanvankelijk hoog gewelfd. Later plat hij af en verdiept zich soms. Meestal is het uiterlijk van de hoed dan

onregelmatig. De opperhuid is aftrekbaar en droog glanzend. De lamellen zijn wit en staan vrij ver uiteen. Ze zijn dun. stijf en zeer breekbaar.

De steel is wit met een roodachtige zweem en wordt in een later stadium sponsachtig.

Het vlees is dun en wit. Eerst stevig en later bros. Onder de huid van de hoed is het roodachtig.

De soort ruikt als zovele andere naar fruit. De smaak is zeer scherp en zelfs brandend.

Deze soort is flink giftig. Dat geldt ook vaak voor de meeste verwante soorten. Deze zijn veelal verdacht tot giftig en oneetbaar.

Afblijven dus is het parool!

U vindt de soort in gebieden met hoogveen en in loof- en naaldbossen meestal op grazige open plekken.

 

-Appelrussula (russula paludosa)

Appelrussula

 De hoed (5 tot 15 cm) is vrij stevig en heeft een glanzend uiterlijk, die aan appels doet denken. De lamellen zijn bleekgeel tot botergeel.

 De steel is vrij lang en krachtig met een witte kleur en een roze inslag in verticale banen.

 Het vlees is vast en stevig en wit van kleur. Onder de opperhuid is het deels roodachtig.

 Deze soort is vrijwel reukloos. De smaak is mild, maar in jong stadium daarna vrij scherp.

 U vindt deze soort in naaldbossen en dan vooral op plekken, waar bosbessen groeien.

 Deze soort is prima eetbaar. Gelijkende soorten zijn vrijwel alle ook eetbaar. Maar soms erg scherp van smaak.

 

-Vissige russula (Russula xerampelina var. erythropus)

Vissige russula

De hoed (5 tot 12 cm) is wijnrood. De lamellen zijn witachtig en verlopen later naar een botergele kleur. Bij druk verkleuren ze naar bruin.

 De steel is vrij dik en heeft een roodachtige kleur met lengte groeven.

 Het vlees is eerst wit en later verkleurend naar bruinachtig of soms zwartgroen bij verbinding met ijzersulfaat.

 De reuk heeft iets van vis of haring. Vandaar ook de naam. De smaak is mild.

 U vindt deze soort voornamelijk in naaldbossen.

 Deze soort is zeer goed eetbaar. De visachtige geur verdwijnt bij het koken.

 

-Regenboogrussula (Russula cyanoxantha)

Regenboogrussula

De hoed (5 tot 14 cm) is violet gemengd met groen, De kleuren verbleken echter vrij snel. De opperhuid is glanzend bij vochtig weer. De hoedrand is scherp

ingebogen. De lamellen zijn wit en weinig breekbaar, zoals dat wel het geval is bij de andere Russula soorten. Ze zijn eerder elastisch en in beide richtingen te

buigen. Bij vaak buigen wordt het gebogen deel spekachtig.

De steel is wit en licht verticaal getekend. Hij bezit kamerachtige holtes. Voorts is hij erg stevig.

Het vlees is wit en vast. Hij heeft nauwelijks een reuk. De smaak is mild.

U vindt deze soort vooral in loofbossen in de buurt van beuken en dan op kalkarme grond.

Deze soort is prima eetbaar en op diverse manieren te bereiden en dan steeds smakelijk.

 

-Ruwe groene russula (Russula virescens)

Ruwe groene russula

De hoed (6 tot 15 cm) is bleek groengrijs tot blauwgroen en plaatselijk groenachtig bruin tot wit okerig. Hij is aan de rand gestreept.

Vanaf de stompe rande splijt de ooperhuid in veldjes uiteen. De lamellen hebben een bleekcreme kleur.

De steel is aanvankelijk helder wit, maar krijgt later een geelbruine tot roestbruine inslag. Dat gebeurt vooral op drukplaatsen.

Het vlees is wit en vast. De reuk is onopvallend. De smaak is mild een lijkt wat op noten.

Deze soort komt voor in loof- en naaldbossen en dan vooral op en bij grazige paden.

Dit is een prima eetbare paddestoel.

 

-Oranjerode grauwsteelrussula (Russula decolorans)

Oranjerode grauwsteelrussula

 De hoed (5 tot 12 cm) is eerst halfbolvormig en in later stadium iets ingedeukt. Hij is in jong stadium enigszins kleverig. De kleur is oranje tot steenrood.

 Later verkleurt hij tot bleekgeel. De lamellen zijn bleek en later botergeel. In de eindfase lopen ze zwart aan.

 De steel is vrij lang en meest wit van kleur. In later stadium verkleurt hij tot grijs en tenslotte tot zwartachtig. Dat is vooral inwendig het geval.

 Het vlees is wit maar vrij vlug verkleurend naar grauw. Het vlees van de steel is wat donkerder.

 De reuk is onopvallend, De smaak is mild.

 U vindt deze soort vooral op veengronden en dan in naaldbossen.

 Deze soort is vrij zeldzaam. Ondanks de goede eetbaarheid geldt het advies: alleen maar naar kijken en afblijven svp!

 

-Wijnrode grauwsteelrussula (Russula obscura)

Wijnrode grauwsteelrussula

De hoed is donkerwijnrood met een iets donkerder midden. Vaak zitten er roestoranje vlekken op. De hoedrand is deels witvlokkig berijpt.

 De lamellen zijn eerst bleek en later botergeel tenslotte lopen ze zwart aan.

 De steel is is wit en later grijs tot zwartachtig, Dit vooral inwendig.

 Het vlees is wit en later grauw. In de steel iets donkerder.

 De reuk is onopvallend. De smaak is mild.

 Deze soort komt zeer zeldzaam voor in naaldbossen. Als u hem vindt laat hem dan staan svp!

 

-Gele streeprandrussula (Russula ochroleuca)

Gele streeprandrussula

 De hoed (4 tot 10 cm) is eerst levendig okergeel. Later verbleekt hij. Hij is eerst halfbolrond zij het iets taps toelopend. Later verdiept hij iets.

 De lamellen zijn wit.

 De steel is rolrond en grotendeels wit met hier en daar wat okergeel. Later verkleurt hij iets naar grijs.

 Het vlees is eerst wit en later wat grijszwart.

 De reuk is fruitachtig. Hij heeft een scherpe smaak.

 Deze soort komt voor in naaldbossen, maar ook in beukenbossen.

 Gemengd met ander soorten is hij goed eetbaar.

 

-Lederrussula 1 (Russula olivacea)

Lederrussula 1

 De hoed (10 tot 20 cm) is olijgroen en later wijnrood. Hij is herkenbaar aan de toegespitste steelbasis.

De steel is rozepurper. Het vlees is citroengeel.

U vindt de soort in loof- en naaldbossen en is vrij zeldzaam.

Mede daarom  kunt u ze beter laten staan.

 

-Lederrussula 2 (Russula integra)

Lederrussula 2

De hoed (6 tot 12 cm) is lange tijd glanzend purper met een oker inslag. De lamellen zijn oker-leerkleurig. Opvallend is, dat deze lamellen lange tijd bleek blijven.

De steel is meest helder wit.

Het vlees is eveneens wit. De reuk is zwak. De smaak is mild.

U vindt deze soort voornamelijk in naaldbossen.

Deze soort is eetbaar. Gebruik het liefst de jonge exemplaren.

 

-Peperduivel (Russula sardonia) flink giftig!!!

Peperduivel

U vindt deze soort in de late herfst in de dennebossen. Het is een vrij zeldzame soort.

Deze soort en nog wat verwanten zijn oneetbaar ook al door de scherpe smaak. De reuk is fruitachtig. Het vlees is zeer scherp van smaak, zelfs brandend en

verkleurt na enige tijd tot safraanrood.

Alle delen van de soort lopen al snel citroengeel aan. De smalle lamellen tranen vaak sterk.

De steel is bijzonder hard en taai en breekt met een harde knal na sterke buiging.

 

-Cederhout russula (Russula Badia) flink giftig!!!

Cederhout russula

 De hoed (6 tot 12 cm) is bloedrood, bruinrood tot purperbruin. Hij is schotelvormig verdiept na uitgroei.

 De lamellen zijn fraai okergeel en geven bij wrijving een geur van cederhout af.

 De steel is stevig, hard en meestal rood aangelopen.

 Het vlees is wit en hard.

 De reuk is die van cederhout. De smaak is heel apart. Eerst is hij heel scherp en daarna verzachtend tot mild, om vervolgens weer op te scherpen en zelfs te

 branden. Een heel klein stukje proeven van bij voorkeur de lamellen (minst giftig) kan geen kwaad. Spug daarna het proefsel uit.

 U vindt deze soort vooral in zandige naaldbossen.

 

-Oranjegroene melkzwam (Lactarius deliciosus)

Oranjegroene melkzwam

 De hoed (4 tot 15 cm) is oranjerood, later groenachtig en heeft concentrische zoneringen, die direct opvallen.

De hoedrand is in jeugdig stadium sterk ingerold en heeft dan een berijpt uiterlijk. De opperhuid is kleverig.

De lamellen zijn ook oranjerood, stug en vrij breekbaar. Ze lopen enigszins langs de steel af. Bij druk ontstaan er groene vlekken.

De steel is eerst massief en wordt later hol. Hij heeft de kleur van de hoed.

Het vlees is witachtig en vrij bros. Bij breuk verschijnt er een soort wortelrood melksap, dat lagzaam verbleekt om later te verkleuren naar groenachtig.

De reuk en de smaak zijn mild.

U vindt deze soort in loof- en naaldbossen op leemrijke gronden. Dan vooral in laag vochtig gras. Ze staan vaak in groepen bijeen.

Deze soort is prima eetbaar. Hij is geschikt voor koken en bakken en verwerking in salades. Gebruik het liefst de jongere exemplaren.

 

-Baardige melkzwam (Lactarius torminosus) licht giftig!!!

Baardige melkzwam

De hoed (5 tot 10 cm) is roze vleeskleurig met donker zoneringen. De hoedrand is aanvankelijk ingerold en heeft een lange franje. De lamellen zijn bleek

 roodachtig en iets aflopend. De kleur verandert niet bij druk of beschadiging.

 De steel is iets lichter van kleur dan de hoed en is glad en later puntig gevlekt. Hij is hol en breekbaar.

 Het vlees is witachtig en roze aan de randen. Het geeft een soort melk af, dat scherp en brandend is.

 De reuk heeft iets van terpetijn. De smaak is scherp en brandend.

 U vindt deze soort in matig vochtige bossen en op de heide en dan vooral in de buurt van berken.

 Ondanks de scherpe n brandende smaak is deze soort goed eetbaar. U dient hem eerst goed af te koken.

 De kleinere en blekere soort Lactarius pubescens is echt oneetbaar. U herkent hem aan de grootte (veel kleiner) en het ontbreken van zoneringen op de hoed.

 Hij ruikt naar Pelargonium.

 

-Smakelijke melkzwam (Lactarius volemus)

Smakelijke melkzwam

 De hoed (5 tot 15 cm) is oranje roodbruin en meestal fluwelig berijpt. Hij heeft bij droogte last van splijterigheid. De lamellen zijn bleekoker. Op plaatsen van

 verwonding en druk worden ze bruin.

 De steel heeft ongeveer een gelijke kleur als die van de hoed. Aan de basis versmalt hij enigszins. Hij is massief en stevig.

 Het vlees is dik en stevig. Eerst wit en later gelig. Bij breuk ontsnapen veel melksappen. Deze is mild en zoetachtig van smaak. Het is kleverig en wordt blootgesteld

 aan de lucht snel bruin.

 De reuk is bij de oudere exemplaren haringachtig. De smaak is aangenaam zoetig.

 Deze soort komt voor in iets vochtige loof- en naaldbossen.

 Het is een goede eetpaddestoel, die bij voorkeur niet gewassen moet worden voor het verwerken.

 Let erop, dat de soort vrij zeldzaam is en pleeg danook geen roofpluk!

 

-Rossige melkzwam (Lactarius rufus) licht giftig!!!

Rossige melkzwam

 De hoed (4 tot 10 cm) is veelal droog en donkerroodbruin van kleur. De hoedrand is ongerold. In het centrum ontstaat al snel de karakteristieke bult.

 In een later stadium verdiept de hoed, de bult blijft dan echter bestaan. De lamellen staan dicht opeen. Ze zijn aanvankelijk gelig wit en verkleuren later naar

 een donkerder kleur. Deze blijft echter altijd lichter dan de kleur van de hoed.

 De steel is roze vleeskleurig en onregelmatig ruw. Hij is eerst massief, maar wordt in later stadium hol.

 Het vlees is bleek geli bruin en dun.

 De reuk is harsig. De smaak is zeer scherp.

 U vindt deze soort in lichte open bossen op zurige grond. Vooral mosrijke naaldbossen komen daarvoor in aanmerking. Maar u kunt hem ook vinden tussen het veenmos

 in de buurt van berken. In mindere mate komt hij ook voor in droge donkere sparrenplantages.

 Deze soort is na behandeling wel eetbaar. U dient hem een nacht in het water te laten staan. Het water daarna afgieten en 20 minuten afkoeken. Daarna weer goed afgieten.

 

-Zwartgroene melkzwam (Lactarius necator) licht giftig!!!

Zwartgroene melkzwam

De hoed (5 tot 20 cn) is olijfgroen tot zwartolijf. Hij is slijmerig en kleverig, De hoedrand is sterk ingerold en is erg viltig.

 De lamellen zijn vuilgeel. Bij druk verkleuren ze naar een grauwe kleur.

 De steel is kort en stevig en meest lichter van kleur dan de hoed. Hij heeft vaak kleine kuiltjes.

 De reuk is harsachtig. Dat geldt ook deels voor de smaak. Dit verdwijnt na koken en afgieten.

 Deze soort komt veelvuldig voor onder en bij sparren en berken.

 De soort is licht giftig. Dat verdwijnt na koken en afgieten.

 

-Pepermelkzwam (Lactarius piperatus) licht giftig!!!

Pepermelkzwam

 De hoed (5 tot 20 cm) is kaal en glad, hoofdzakelijk wit tot iets gelig. Vaak zie je er bruine vlekken op. Hij is aanvankelijk gewelfd om later trechtervormig

 uit te diepen. De rand is lange tijd ingerold. De lamellen zijn smal en staan dicht opeen. Ze lopen naar de steel toe af. Ze zijn wit en in later stadium

 roomkleurig tot okergeel.

 De steel is kort, dik en wit of geelachtig van kleur,

 Het vlees is wit en breekbaar. Bij breuk verschijnt er een soort witte melk met een peperachtige smaak. De opdrogende melk wordt grijsgroen van kleur.

 De reuk is aangenaam. De smaak is peperachtig en scherp.

 Deze soort komt voor in loof- en naalbossen.

 Hij is eigenlijk niet geschikt om te eten. Verwisseling met Lactarius vellerus is gemakkelijk mogelijk. Ook die soort is nauwelijks eetbaar.

 Afblijven lijkt dus de beste oplossing!

 

-Schaapje (Lactarius vellerus) licht giftig!!!

Schaapje

 De hoed (10 tot 25 cm) is krijtwit tot okergeelachtig, Hij is hard en viltig, Al gauw ontstaat er een trechtervorm met ingerolde rand.

 De lamellen zijn wit tot vuiloker en staan ver uiteen.

 De steel is kort en stevig. Hij is meest wit van kleur en heeft een donzig uiterlijk.

 De reuk heeft iets van aarde. De smaak is erg branderig. Hij veroorzaakt zelfs blaren op de tong.

 U vindt deze soort in loof- en naaldbossen en dan vooral langs de wegen en paden. De groeitijd ligt in de herfst.

 Door de scherpe smaak is de soort nauwelijks eetbaar. Beter is het er dus van af te blijven!

 

-Gewone krulzoom (Paxillus involutus) licht giftig!!!

Gewone krulzoom

 De hoed (4 tot 15 cm) is glad en na een regenbui glanzend en slijmerig. Hij is roestbruin tot lederbruin van kleur. Het uiterlijk is eerts lang en gewelfd, later wordt hij

 trechtervormig. De rand is erg sterk ingebogen. De naam is daar ook deels aan ontleend. In later stadium vlakt de rand wat uit. De lamellen zijn geelbruin en laten

 gemakelijk los van de rest van de hoed. Ze lopen naar de steel toe af.

 De steel is stevig,  massief en kaal. Hij heeft de kleur en de vlekken van de hoed.

 Het vlees is geelbruin. Bij druk en koken wordt het donkerbruin.

 De reuk is licht zurig. De smaak is mild.

 Deze soort kunt u vinden in loof- en naaldbossen. Hij komt vaak in groepen voor.

 Na 25 minuten afkoken en afgieten verdwijnt de lichte giftigheid. Het kookwater zoals vrijwel altijd bij giftige soorten wel wegwerpen!

 Overigens geven reacties van lezers van deze pagina de indruk, dat u er toch maar beter niet van kunt eten, om problemen met de gezondheid te voorkomen.

 

-Zwartvoet krulzoom (Paxillus atrotomentosus) licht giftig!!!

Zwartvoet krulzoom

 De hoed (8 tot 30 cm) is eerst fijnviltig en later kaal. De kleur is licht koffiebruin tot donkerbruin. De rand is duidelijk ingerold.

 De lamellen zijn geelachtig en staan dicht opeen. Ze lopen af naar de steel toe.

 De steel is kort, dik en stevig en wat excentrisch. De kleur donkerzwartbruin en heeft een fluwelige viltlaag.

 Het vlees is sappig. De reuk is zurig. De smaak is bitter en bedompt.

 Deze soort komt voor op oude boomstompen van vooral dennen.

 Hij is pas na langdurig afkoken en afgieten eetbaar. Daardoor is het meenemen niet aan te bevelen. Laat ze dus maar gewoon staan!

 

-Voorjaarsridderzwam (Calocybe georgii)

Voorjaarsridderzwam

 De hoed (6 tot 10cm) is witachtig en in het centrum van de hoed wat vuilgelig. Hij is dof, kaal en glad. De hoedrand is in jeugdig stadium ingerold.

 De lamellen zijn witachtig tot roomkleurig en staan dicht opeen. Bij de steel zijn ze tandachtig uitgerand.

 De steel is tamelijk dik en vlezig.

 Het vlees is wit. Het heeft een sterke meelgeur. De smaak is aangenaam.

 U vindt deze soort in bossen en op weiden in de maanden mei en juni. Hij komt vrij algemeen voor.

 Dit is een prima eetpaddestoel. Wel opletten voor verwisseling met de zeer giftige Witrode vezelkop!

 

-Witrode vezelkop (Inocybe patouillardii) zwaar giftig!!!

Witrode vezelkop

 De hoed (5 tot 9 cm) is kegel-klokvormig en spreidt zich later uit. Hij behoudt dan een centrale bochel. Hij is zijdeachtig met een vezelige structuur.

 De kleur is wit en later gelig. Naar het ouder worden toe ontstaat ontsaat op de hoed een steeds duidelijker wordende steenrode tot bruinrode kleur.

 Door druk verkleurt hij naar rozerood vlekkend. De lamellen zijn wit of iets roze leemkleurig en in later stadium olijfbruin.

 De steel is stevig en naar de basis toe wat verdikt en gekromd. Hij is vezelig gestreept. De kleur is eerst wit en deels volgens de kleur van de hoed.

 Het vlees is wit en deels zwakroze in de hoed. Het vlees van de steel is altijd roze.

 De reuk heeft iets van vruchten en in later stadium iets van tabak.

 De smaak is wat scherp.

 U vindt deze soort op kalkrijke grond in beukenbossen, maar ook bij linden en in parken. De groeitijd loopt van mei tot de herfst.

 Deze soort is zeer giftig. Afblijven dus is het parool! Let op verwisseling met de Voorjaarsridderzwam!

 

-Zeepzwam (Tricholoma saponaceum) licht giftig!!!

Zeepzwam

 De naam van deze soort is ontleend aan de geur er van. Deze is zeepachtig. Dat geldt echter niet voor de smaak. Deze is enigszins bitter en onprettig.

 De zeepzwam is niet helemaal oneetbaar. Maar als u toch er een maaltje van wilt nuttigen. Houdt dan rekening met buikklachten. Dan weet u tevoren

 waar het vandaan komt.

 De hoed (5 tot 10 cm) is bultig en bolvormig. In later stadium enigszins uitgespreid en onregelmatig. De kleur is lichtblauwgroen maar erg variabel en

 kan daardoor verlopen naar grijsgroen tot bruingoren. De hoed is kaal tot iets vezelig-schubbig. Vaak zijn roodachtige vlekjes aanwezig op alle delen

 van de zwam. De lamellen zijn bleek tot groenachtig geel en vrij dik. Ze staan ver uiteen en zijn bij de steel uitgerand.

 De steel is stevig met een bulkige onderzijde, meestal kaal of fijn vezelig en schubbig. De kleur is bleekbruin tot rozebruin. Aan de basis vaak roodachtig.

 Het vlees is wit en enigsins rood aanlopend.

 U vindt hem op zandige gronden in naald- en loofbossen. Hij komt vrij algemeen voor.

 Deze soort is vrijwel oneetbaar en veroorzaakt vrijwel altijd maagklachten.

 

-Koningsmantel (Tricholomopsis rutilans)

Koningsmantel

De hoed is eerst kegelvormig en later gewelfd. Hij heeft een gelige ondergrond met daarop donkerpurperen voltachtige schubben. De lamellen zijn geel en

 staan dicht opeen.

 De steel is geel en is bedekt met roodviltige schubjes.

 Het vlees is geel en vezelig taai.

 De reuk is bedompt. De smaak is mild.

 Deze soort kunt u in groepen vinden bij of op oude stompen van naaldbomen.

 De jonge exemplaren zijn eetbaar als mengsoort.

 

-Gele ridderzwam (Tricholoma flavovirens)

Gele ridderzwam

 De hoed (5 tot 12 cm) is olijfgeel tot olijfgroen. Hij is wat vezelig met een vosbruin centrum. Daar is hij wat schubbig. De lamellen zijn zwavelgeel en staan

 matig dicht opeen. Ze zijn uitgerand.

 De steel heeft de kleur van de hoed of is wat lichter. Hij is meestal slank en vezelig gestreept.

 Het vlees is stevig en geelachtig van kleur. Onder de hoedhuid is het echt geel.

 De reuk is zwak meelachtig. De smaak is mild.

 U vindt deze soort in zandige naaldbossen. Hij komt vrij algemeen voor.

 Deze soort is eetbaar en ook nog smakelijk. Let op verwisseling met de Zwavelridderzwam is beter te voorkomen!

 

-Zwavelridderzwam (Tricholoma sulphureum) flink giftig!!!

Zwavelridderzwam

De hoed (4 tot 8 cm) is zwavelgeel en dunvezelig. Hij is glad en droog. De lamellen zijn zwavelgeel en nogal dik, Ze staan vrij ver uiteen en zijn afgerond.

De steel is vrij lang en is zwavelgeel van kleur en is bezet met kleine bruine vezelige schubjes.

Het vlees is zwavelgeel, maar in de steelbasis bruinachtig.

De reuk is zwaar en onaangenaam. De smaak is onaangenaam.

U vindt deze soort in loof- en naaldbossen. Hij komt vrij algemeen voor.

Deze soort is volstrekt oneetbaar! Afblijven lijkt dus het beste!

 

-Glanzende ridderzwam (Tricholoma portentosum)

Glanzende ridderzwam

De hoed (4 tot 12 cm) is aanvankelijk kegelvormig, later gewelfd en tenslotte afgevlakt met een wat golvende rand. Hij is grauwbruin met fijne zwartbruine vezels.

 Hij is glad, kleverig tot droog. De opperhuid is bijna in zijn geheel aftrekbaar. De Lamellen zijn wit met een geelgroenige ondertoon. Ze zijn vrij breed, dik en

 uitgerand.

 De steel is wit met een gelige tot groenige tint en is vezelig vlezig. Hij is rond en vaak wortelvormig verlengd.

 Het vlees is wit en onder de hoedhuid grauw. In de steelbasis is hij geelachtig.

 De reuk en de smaak lijken wat op meel.

 U vindt deze soort in loof- en naaldbossen en dan vaak samen met de gele ridderzwam. De groeitijd ligt vanaf de herfst tot aan de eerste vorstperiode.

 Deze soort is goed eetbaar en smakelijk.

 

-Grote paarse ridderzwam (Lepista nuda en/of Tricholoma nudum)

Grote paarse ridderzwam

 De hoed (5 tot 15 cm) is eerst deels fraai violet en verkleurt later geheel naar okerbruin. De lamellen hebben deels de kleur van de hoed zij het iets lichter van tint.

 Later verkleuren ze naar bruin. Ze staan dicht opeen.

 De steel is iets lichter dan de hoed. De basis is wat verdikt en is met paars vilt bedekt, dat humus en blad vasthoudt.

 Het vlees is violet en later bleker.

 De reuk heeft iets van gekookt rundvlees. De smaak is mild.

 U vindt deze soort in loof- en naaldbossen, maar ook in parken en tuinen. Ze komen vaak in kringen voor. De soort is vrij algemeen voorkomend.

 Deze soort is prima eetbaar. Vooral voor suikerpatienten aan te bevelen.

 

-Paarssteel ridderzwam (Lepista personala)

Paarssteel ridderzwam

De hoed (5 tot 15 cm) is leemkleurig tot bleekbruin met een weinig lila ondertoon, Hij is vlezig en glad.

De lamellen zijn wit tot bleekbruinachtig met een lichte lila tot rode inslag. Ze staan vrij dicht opeen.

De steel is kort en dik en aan de basis vaak verdikt. Hij is intens paars of lila van kleur. Hij is vezelig gestreept, wat contrasteert met de hoed.

Het vlees is witachtig tot grijsachtig.

De reuk en de smaak zijn aangenaam.

U vindt deze soort in weilanden en graanvelden en dan vaak in kringen. De groeitijd ligt in de late herfst.

Dit is een prima eetpaddestoel.

 

-Nevelzwam (Clitocybe nebularia)

Nevelzwam

De hoed (10 tot 18 cm) is dikvlezig en laag gewelfd tot licht trechtervormig. De kleur is asgrijs. De rand is onregelmatig bochtig.

 De lamellen zijn bleek gelig tot grijzig en staan zeer dicht opeen. Ze lopen af naar de steel toe.

 De steel is massie en dik en aan de basis verdikt. Daaraan zit een wittig mycellum.

 Het vlees is wit en eerst stevig, maar later week.

 De reuk is zoetig. De smaak is mild.

 U vindt deze soort in loof- en naaldbossen en dan vooral op open plekken en aan de bosranden. Ze staan meestal in grote groepen bijeen.

 De groeitijd ligt in de late herfst.

 Deze soort is prima eetbaar bij gebruik als mengpaddestoel. Gebruik alleen de hoeden ervoor.

 Let erop geen verwisseling te begaan met de giftige satijnzwam! Dat zal u slecht bekomen!

 

-Giftige satijnzwam (Rhodophyllus sinuatus) flink giftig!!!

Giftige satijnzwam

 De hoed (6 tot 20 cm) is dikvlezig en heeft aanvankelijk een gewelfd centrum. Later vlakt hij grotendeels uit. De kleur is grijs met allerlei tinten van geel,

bruin en rood. Hij is eerst vaak fijnvlokkig en later satijnachtig vezelig. De rand is eerst ingebogen en later vaal gegolfd tot onregelmatig.

De lamellen zijn lang en bleekgelig om vervolgens te verkleuren naar vleeskleurig tot roodachtig zalmkleurig. Ze zijn breed en uitgerand.

De steel is eerst stevig en massief. Later wordt hij voos hol. Hij is glanzend wit en aan de basis knolvormig verdikt en deels verbogen.

Het vlees is wit.

De reuk en de smaak zijn onaangenaam ens sterk meel- annex radijsachtig.

Deze soort komt voor in loofbossen en dan vaak in kleine groepen. Een leembodem heeft de voorkeur.

Let op deze soort is flink giftig. Laten staan dus!

 

-Meelkop (Rozites caperata)

Meelkop

 De hoed (5 tot 10 cm)is eerst ei-klokvormig en later uitgespreid. Hij is strogeel tot bruingeel met een melig wit bestoven midden. Dit als gevolg van de resten van

 het algeem omhulsel. De rand is vaak duidelijk straalvormig gerimpeld. De lamellen zijn bleekgelig en later bruinoker. Ze hebben een fijngetande snede.

 De steel is eerst vuilwit en later geelachtig en heeft een verdikte basis. Boven de witachtige ring is hij berijpt fluwelig en gestreept.

 Het vlees is wit, maar onder de hoedhuid okerbruinachtig.

 De reuk en de smaak zijn aangenaam.

 U vindt deze soort vooral in naalbossen en dan vooral in de buurt van bosbessen.

 Deze soort is vrij zeldzaam. Het is daarom beter, ondanks de prima eetbaarheid er gewoon van af te blijven!

 

-Lila dikvoet (Cortinarius traganus) licht giftig!!!

Lila dikvoet

De hoed (5 tot 13 cm) is lila tot bleekviolet en later roestbruin. Hij is fijnvezelig, splijterig en glanzend. De rand is ingebogen en tenslotte ingescheurd.

 De lamellen zijn bruinrood tot safraangeel.

 De steel is opvallend verdikt aan de basis. Hij is wollig vezelig door resten van de veluw. De kleur is in jonge toestand violet, later verbleekt hij.

 Het vlees is geelbruin. De reuk is onaangenaam.

 U vindt deze soort in loof- en naaldbossen. Hij is uiterst zeldzaam.

 Er zijn meerdere wat kleinere soorten met dergelijke vorm en kleur. Alle zijn mede door de giftigheid en de smaak vrijwel oneetbaar.

 

-Ivoorzwam (Hygrophorus eburneus)

Ivoorzwam

 De hoed (3 tot 7 cm) is wit tot ivoorgelig. Hij is eerst kehelvormig en vlakt later uit. Hij is vochtig slijmerig, soms droog en glanzend.

 De lamellen hebben dezelfde kleur als de hoed en staan wijd uiteen. Ze lopen af op de steel.

 De steel is lang en vaak gebogen. Hij is slijmerig klevend. De top is met witte schubjes bedekt.

 Het vlees is wit.

 De reuk en de smaak zijn aangenaam.

 U vindt deze soort in loof- en naaldbossen, maar ook in bosweiden. Ze komen in groepjes voor. De groeitijd loopt van augustus tot oktober.

 Deze soort is eetbaar en smakelijk.

 

-Amandelslijmkop (Hygrophorus agathosmus)

Amandelslijmkop

 De hoed (4 tot 7 cm) is dikvlezig, eerst gewelgfd en later vlakker. De kleur is olijfgroen. In het midden is hij bedekt met slijmerige schubjes bedekt.

 De lamellen zijn witachtig tot olijfgrijs. Ze staan wijd uiteen en zijn iets aflopend op de steel.

 De steel is vrij lang en stevig. Hij is witachtig en puntig vlokkig in het bovendeel.

 Het vlees is wit.

 De reuk heeft iets van bittere amandelen (vandaar de naam) De smaak is mild.

 Deze soort komt voor in zurige mosrijke naaldbossen en is vrij zeldzaam.

 Het is een prima eetpaddestoel. Vanwege de zeldzaamheid is het echter aan te bevelen de soort te ontzien.

 

-Denneslijmkop (Hygrophorus hypotheijus)

Denneslijmkop

De hoed (3 tot 6 cm) is aanvankelijk gewelfd en tenslotte trechtervormig. Hij behoudt wel een centrale bochel. Hij is met een dikke laag olijfbruin slijm bedekt.

 Bij het verdwijnen ervan verkleurt hij naar geelroodachtig. De lamellen zijn oranjegeel, dik en staan wijd uiteen. Ze lopen wat af op de steel.

 De steel is vrij lang, slank en wat gekromd. Hij is ook slijmerig. In jeugdige vorm is hij met een slijmerige veluw met de hoedrand verbonden.

 Het vlees is bleekgelig.

 De reuk is vreemd zoetig. De smaak is mild.

 Deze soort komt voor in naald- en gemengde bossen en dan vooral bij dennen. De groeitijd ligt in de late herfst.

 Dit is een goede herkenbare smakelijke eetpaddestoel.

 

-Echte dooierzwam (hanekam) (Cantharellus cibarius)

Echte dooierzwam

Dit is een echte fijne paddestoel voor de culinaire liefhebber. De soort wordt daarvoor expres door beroepskwekers gekweekt.

 Een maaltje verzamelen in de natuur heeft echter ook zo zijn bekoring. Let er op geen kaalslag toe te passen bij het verzamelen.

 Uiteindelijk grijpt u dan later alleen maar mis.

 De hoed (3 tot7 cm) is aanvankelijk gewelfd met een ingerolde rand. Later wordt hij vlakker en uiteindelijk trechtervormig. Het uiterlijk is onregelmatig

 en vooral golvend. De kleur is dotter- tot heldergeel. Het kiemvlies heeft lijsten ipv lamellen. Het uiterlijk is vertakt. De lijsten zijn door dwarsaderen verbonden.

 Naar de steel toe verdunt de lijstbodem zich. Dat geldt overigens voor de gehele steel.

 Het vlees is stevig en witachtig tot gelig aan de rand.

 De reuk komt in de buurt van de geur van abrikozen. De smaak is licht gepeperd.

 De soort komt voor in loof- en naaldbossen. Meestal in groepen. Vooral langs paadjes in heidegebieden kunt u ze aantreffen.

 Verwisseling kan plaatsvinden met de veel slappere vals dooierzwam, die echter ook redelijk eetbaar is.

 

-Valse dooierzwam (Hygrophoropsis aurantiaca)

Valse dooierzwam

De hoed is helder oranjerood en heeft een aanvankelijk een ingerolde rand. Hij is trechtervormig en dunvlezig en ook zacht en buigzaam.

 Hij heeft duidelijke lamellen, die op de steel aflopen. Die steel is vaak excentrisch en krom en ook dun en buigzaam. Hij is eerst massief en later hol.

 Naar de basis toe is de kleur wat donkerder oranje.

 Het vlees is dun, slap en heldergeel.

 De reuk is nauwelijks waarneembaar. De smaak is zoetig.

 U vindt deze soort in naaldbossen van augustus tot november. Hij is niet giftig maar wel erg zwaar verteerbaar. Hij is wel geschikt voor het maken van paddestoel

 gehakt.

 

-Weidekringzwam (Marasmius oreades)

Weidekringzwam

 De hoed (2 tot 6 cm) is eerst bleek oranjebruin met een doorschijnende gestreepte rand. In later stadium plat de hoed uit tot oplopend. De kleur verloopt dan

 naar bleek okergeel. Hij heeft dan meestal een stompe bochel. Bij droogte schrompelt hij vaak ineen om na een natte periode weer te herstellen.

 De lamellen zijn bleek en staan wijd uiteen. Ze zijn afgerond bij de steel.

 De steel is lichter van kleur dan de hoed. Hij is taai en elastisch en aan de basis witviltig.

 Het vlees is bleek. De smaak is enifszins kruidachtig.

 U vindt deze soort in weilanden en ook in wat oudere duingebieden.

 De soort is goed eetbaar en geschikt voor droging. Prima te gebruiken voor soepen en zauzen. Bij oudere exemplaren eerst de stelen verwijderen.

 Hij bevat wel wat blauwzuur, die na koken en afgieten geheel verdwijnt.

 

-Eikebladzwammetje (Collybia dryophila) licht giftig!!!

Eikebladzwammetje

De hoed (2 tot 6 cm) is dunvlezig, visbruin tot geelbruin tot roodbruin. In later stadium verkleurend naar bleekgeel.

 De lamellen staan dicht opeen en zijn bleekgeel. Dit deel contrasteert sterk met de bruinrode of rossiggele kleur van de steel.

 De steel is glad en taai.

 Het vlees is dun en waterig en gelig. De reuk ervan is fris, gelijkend op gezaagd hout. De smaak is mild.

 De soort is vrijwel waardeloos als eetpaddestoel en bovendien licht giftig!

 U vindt hem vooral in eikebossen, maar ook in naaldbossen en dan van de vroege zomer tot de herfst.

 

-Gewone zwavelkop (Nematoloma fasciculaire) flink giftig!!!

-Gewone zwavelkop

De hoed (4 tot 7 cm) is aanvankelijk kegelvormig to halfbolrond. Later vlakt hij af en verdiept dan zelfs enigszins.

 De kleur is zwavelgeel tot oranjebruin in het midden. De lamellen staan dicht opeen en zijn zwavelgeel tot olijfgroen. Later verkleurend naar bruin tot violetbruin.

 De steel is zwavelgeel tot roestbruin in een later stadium. Aan de top bevindt zich een kleine manchet.

 Het vlees is geel. De reuk is onaangenaam. De smaak is bitter.

 Hij komt voor in loof- en naaldbossen op en rond afgestorven boomstompen en resten. Ze staan in dichte groepen bijeen.

 Deze soort is dus niet eetbaar en zelfs flink giftig!

 

-Steenrode zwavelkop (Nematoloma sublateritium)

Steenrode zwavelkop

De hoed (4 tot 10 cm) is steenrood tot roodachtig bruin in het midden. In jong stadium heeft hij een bleekgele spinnewebachtige sluier, die met de steel is verbonden.

 De lamellen zijn eerst gelig en later grijsolijf tot bruin en staan dicht opeen. Ze zijn aan de steel gehecht.

 De steel is geel en naar de basis toe bruin. Hij is veelal krom en heeft tamelijk hoog bevestigde ringvormige veluwresten. Hij is iets vezelig schubbig.

 Het vlees is bleek roodachtig.

 Hij heeft vrijwel geen reuk. De smaak is zwak bitter.

 U vindt deze soort veelal in grote groepen op en bij stompen van dode loofbomen.

 Deze soort is na het verwijderen van de hoedhuid en goed afkoken (gooi kookwater weg) goed bruikbaar als mengsoort.

 

-Dennezwavelkop (Nematoloma capnoides)

Dennezwavelkop

 De hoed (2 tot 6 cm) is honinggeel tot bruingeel in het midden. Hij is iets kleverig. De rand is met veluwresten bedekt. De lamellen zijn witachtig grauwgeel.

 Later verkleuren ze naar rookgrijs tot violetgrijs.

 De steel heeft de kleur van de hoed met een roodbruine basis. Hij is altijd hol en meestal gekromd.

 Het vlees is geligwit en roestbruin in de steelbasis.

 De reuk en smaak zijn mild.

 U vindt deze soort in groepen op stompen van dode sparren. Hij groeit van het voorjaar tot in de herfst.

 Deze paddestoel is eetbaar. Het is een prima mengpaddestoel.

 

-Kleine bundelzwam (Kuehneromyces mutabilis)

Kleine bundelzwam

 De hoed (3 tot 8 cm) is in vochtige toestand oranje vosbruin. Bij droogte is hij honingokergeel met een lang donkerder blijvend midden en randzone. In jong stadium

 is hij iets geschubd, maar spoedig daarna is hij geheel kaal. De rand is gestreept. De lamellen zijn dun en staan dicht opeen.

 Ze zijn lichtbruin en later roestbruin.

 De steel is roestbruin en heeft afstaande donkere schubjes onder de vlezige ring. Daarboven is hij glad een bleekbruin. De basis is donkerder.

 De steel is veeal gekromd.

 Het vlees is bleekbruinig. In de steel is het wat donkerder.

 Hij ruikt naar vers gezaagd hout. De smaak is mild.

 U vindt deze soort in groepen op stronken van loofhoutbomen. De groeitijd loopt van mei tot november.

 Dit is een zeer goede eetpaddestoel en dan vooral voor verwerking in soepen. Verwijder echter eerst de stelen 

 

-Honingzwam (Armillariella mellea) rauw zwak giftig!

Honingzwam

 De Hoed (5 tot 10 cm) is stevig en honinggeel tot bruin. In het midden is hij iets zwart van kleur dit komt door wat donkere schubjes. De rand is in jong stadium

 ingerold en later wat gestreept gegroefd. De lamellen zijn stug en strak. Ze staan wijd uiteen. Aanvankelijk zijn ze wittig om later naar bruinachtig te verkleuren.

 In laatste stadium zijn ze bruin gevlekt. Ze zijn met de steel vergroeid en wat aflopend.

 De steel is massief, taai en vezelig. Hij is roodachtig bruin van kleur met een wat donkerder basis. Hij is vaak wat gekromd en heeft een stevige volkkige ring.

 Het vlees is vrij dun en bleekbruin van kleur.

 De reuk is iets loogachtig. De smaak is scherp en werkt na in de keel.

 U vindt deze soort in dichte bundels op of rond boomstompen, maar ook op of bij levende bomen, die als gevolg van de aantasting van deze boomparasiet het langste

 leven hebben gehad. De groeitijd ligt voornamelijk in de herfst.

 Deze soort is slecht verteerbaar en rauw zelfs ietwat giftig. Na afkoken en afgieten zijn de hoeden bruikbaar als mengpaddestoel.

 

-Schubbige bundelzwam (Pholiota squarrosa)

Schubbige bundelzwam

De hoed (3 tot 10 cm) is in jeugdig stadium halfbolrond om later wat gewelfd te worden. Hij is geelbruin en heeft donkerder afstaande schubben.

 De hoed en de steel zijn aanvankelijk door een veluw aan elkaar verbonden. De opperhuid is droog en niet aftrekbaar. De lamellen staan dicht opeen en zijn

 ietwat geelgroenig om later naar bruinig te verkleuren.

 De steel is massief, taai en heeft een ring. Daarboven is hij glad en geel. Onder de ring heeft hij de kleur van de hoed en heeft afstaande schubben.

 Daarbij is hij vaak wat gekromd.

 Het vlees is bleekgeel en wat donkerder aan de steelbasis.

 De reuk is radijsachtig, De smaak is eerst mild en later wat bitter.

 U vindt deze soort op boomstompen van levende en dode loofbomen.

 De stelen zijn nauwelijks eetbaar. De hoeden zijn goed bruikbaar als mengpaddestoel.

 

-Gele stekelzwam (Hydnum repandum)

Gele stekelzwam

De hoed (5 tot 12 cm) is zeemleergeel tot oranje van kleur. Hij is glad en vettig. Voorts breekbaar en onregelmatig gevormd. De stekels en stoppels zijn

 gelig tot wittig. Ze zijn zacht en breekbaar en van ongelijke lengte, spits en op de steel aflopend.

 De steel is bleker van kleur dan de hoed en vaak met nabije stekels vergroeid. Hij is voorts kort en dik en sterk excentrisch.

 Het vlees is wittig tot gelig en week in de hoed. Breekbaar in de steel.

 De reuk is aangenaam. De smaak is mild. Bij oudere exemplaren soms wat bitter.

 De soort komt meest voor in loofbossen. Meer dan in naaldbossen. U vindt hem in groepen. De groeitijd loopt van juli tot november.

 Deze paddestoel is goed eetbaar. Vooral in jong stadium. Ouder exemplaren en dan vooral de hoeden worden bitter.

 

-Geschubde stekelzwam (Sarcodon imbricatem)

Geschubde stekelzwam

De hoed (5 tot 20 cm) is laag gewelfd tot trechtervormig. Hij is grauwbruin met zwartbruine opstaande en in kringen geplaatste schubben bedekt.

 De stekels (ipv lamellen) zijn lichtbruin tot grijsbruin en zijn zeer breekbaar. Ze lopen naar de steel toe af.

 De steel is lichtgrijs tot bruinachtig. Hij is vrij onregelmatig, dik, glad en massief.

 Het vlees is wit tot grauwbruin, hard en stevig.

 De reuk is kruidig. De smaak is aangenaam.

 U vindt deze soort in droge naaldbossen en dan vaak in de vorm van heksenkringen van augustus tot november.

 Deze soort is eetbaar in jonge toestand en geschikt voor zure gerechten en soepen. Ook is hij prima geschikt om te drogen en te verpoederen.

 

-Ruwe stekelzwam (Sarcodon scabrosus) licht giftig!!!

Ruwe stekelzwam

De hoed (5 tot 15 cm) is bruinroodachtig en heeft schubben van dezelfde kleur. Hij is eerst gewelfd en lter is trechtervormig. De stekels (ipv lamellen) zijn

 lichtgrijs en later wat bruin met een lichte top.

 De steel is bruin en heeft een blauwzwarte basis. Dat is ook inwendig zo. Prima herkenningsteken!

 Het vlees is bleekblauw en op breukplaatsen violetgroen.

 De reuk is nauwelijk of niet waarneembaar. De smaak is zeer bitter.

 U vindt deze soort in naaldbossen.

 Als u wat exemplaren vindt, laat ze dan svp staan ook al ivm de zeldzaamheid!

 

-Polyporus (Albatrellus) ovinus

Polyporus

 De hoed (5 tot 12 cm) is onregelmatig gewelfd. Hij is droog en glad en barst meestal uiteen in velden. De kleur is bleekgeel tot geelgrijs.

 De buisjes zijn eerst wit en later gelig. De openingen zijn zeer fijn. Het buisjesdeel loopt af op de steel.

 De steel is bijzonder dik en vlezig, maar desondanks breekbaar. De kleur is deels gelijk aan die van de hoed.

 Het vlees is wit met een lichtgele ondertoon. Het is zeer breekbaar. De breuken zijn altijd oneffen getand.

 De reuk en de smaak zijn weinig opvallend.

 U vindt deze soort in zandige dennenbossen. Hij is vrij zeldzaam.

 Deze soort is jong eetbaar en zeer smakelijk. Bij oudere exemplaren eerst de opperhuid verwijderen.

 

-Polyporus (Albatrellus) confluens

Polyporus 1

De hoed van de afzonderlijke exemplaren zijn niet zo bijzonder groot. Wel bijzonder ishet feit dat sommige hoeden tijdens de opgroei samnesmelten tot 1

 vruchtlichaam. De hoed kan dan wel 30 tot 40 cm groot worden. De kleur is dottergeel tot roodachtig. Vaak is de opperhuid open gebarsten.

 De buisjes zijn wit tot roomgeel en lopen op de steel af. De openingen zijn zeer fijn.

 De steel is dikvlezig en wit. Hij is diep in de aarde bevestigd en vaak stronkvormig vertakt.

 Het vlees is wit en sappig in jong stadium. Het is dan stevig. Bij ouder worden wordt het vlees grof.

 De reuk is wat loogachtig. De smaak is iets bitter.

 U vindt deze soort in zandige naaldbossen. Hij is ook zeldzaam.

 Ondanks de eetbaarheid verdient het aanbeveling deze soort ongemoeid te laten ivm de zeldzaamheid!

 

-Oesterzwam (Pleurotus osteatus)

Oesterzwam

De oesterzwam groeit meestal op loofbomen, waarbij de beuk een voorkeur verdient. De beste groeiplaatsen zijn daarbij dode boomstronken en rottend hout. De groeilichamen vind u

 veelal  in een soort trossen bijeen. Deze paddestoel kunt het hele jaar door tegenkomen. In het najaar is de vindkans echter het grootst. Sinds 1980 wordt deze soort paddestoel ook voor

 de consumptie gekweekt. Dat is niet zo vreemd, want deze paddestoel is prima eetbaar en heeft een uitstekende smaak. De meeste mensen kunnen voor een maaltje dus gewoon bij de

 groenteboer of de speciaalzaak terecht. Voor de echte natuurvorsers is dat maaltje met enig zoekwerk dus ook in vrije natuur te vinden.

 De paddestoel of zwam zelf is vrij gemakkelijk herkeenbaar door zijn oestervormige danwel waaiervormige uiterlijk. De wat oudere exemplaren kunnen wel 15 cm groot worden.

 Overigens zijn er vele varianten van deze paddestoelensoort te vinden. Zo zijn er grijsbruine, lichtbeige, maar ook bruinige, gelige en zelfs blauwige exemplaren waargenomen.

 Voor zover bekend zijn alle varianten goed eetbaar. De oudere exemplaren kunt u echter beter gewoon op hun plaats laten. Deze zijn minder smakelijk. Bovendien zorgen ze voor

 voldoende nakomelingen. Over het algemeen kunt u beter wat exemplaren op de plaats laten, want uitroeing zal ook voor u zeker niet de bedoeling zijn.

 Die kleurspelingen hebben waarschijnlijk ook deels met de groeiplaats te maken. Aan de onderzijde van het horizontaal groeiende lichaam bevinden zich de plaatjes.

 Deze zijn in jong stadium wittig. Later verkleuren ze naar wat bruinig. Het vruchtvlees is mooi wit en verspreid een aangename geur.

 De op de foto weergegeven groep geeft een uitstekend beeld van de paddestoel en haar uiterlijk.

 

-Berkenzwam (Piptoporus betulinus)

Berkenzwam

Met een fraaie foto maakte Vanessa Ouweneel me opmerkzaam voor deze soort. De Berkenzwam komt veelal voor op levende Berken. De door de schimmel aangetaste Berk overlijdt in

 een later stadium zonder mankeren. In de tussentijd zijn de beelden van de zwam echt aansprekend. Het vruchtlichaam kent een zogenaamd “levend” stadium en is dan bruinig van kleur.

 De zwam verliest later zijn bruine kleur en verkleurt tot een soort grijsbruin. Technisch gezien heeft de zwam dan zijn levende stadium gehad. Hij blijft daarna langdurig gewoon aan de

 Berk hangen. De zwam verhardt daarbij.

 De groeiperiode van jonge zwammen verloopt van de zomr tot in de herfst. De geur is aangenaam.

 

Tonderzwam (Ganoderma lipsiense)

Tonderzwam

Tonderzwam1

 Van de heer Kruithof uit Numansdorp ontving ik de bovenstaande foto’s van een zogenaamde tonderzwam. Het is een flink grote zwam, waarvan de hoed in dit geval wel 25 cm in

 omvang is.

 Deze paddestoel groeit op een stronk van een jaren geleden omgezaagde kersenboom. Op de tweede foto ziet u de zwam nogmaals. Aan de onderzijde ziet u wat vreemdsoortige groeisels.

 Navraag bij derden leerde de namen kennen van deze soort paddestoel. Het gaat hierbij om flink wat exemplaren van Xylaria polymorpha, de Houtknotszwam (in sommige boeken

 wel dodemansvingers genoemd). De kleur van de Tonderzwam op de tweede foto is wat vertekend door de toepassing van flitslicht.

 Inhoudelijk is over de Tonderzwam wel wat meer bekend. Feit is, dat deze zwam tot 1970 in Nederland slechts zeldzaam voorkwam. Sinds die tijd is de verspreding van de soort gestaag

 toegenomen. Na 1990 komt hij vrij algemeen voor en zijn de aantallen gestabiliseerd. De reden van de sterke toename dient gezocht te worden in het verandere beleid t.a.v. de ruiming

 van dode bomen in de bossen. Deze worden minder dan vroeger nog verwijderd. De Tonderzwam is een zwakteparasiet, die het liefst op verzwakte of sterk verouderde bomen groeit en

 dus ook op inmiddels dood hout. Mogelijk speelt de zuurdere regen van vroeger hierbij ook nog een rol.

 De vruchtlichamen van de Tonderzwam zijn meerjarig en kunnen bij ouderdom wel een halve meter in doorsnede worden.

 De tonderzwam zelf is nauwelijks eetbaar, tenzij u van schoenzolen als maaltijd houdt. Gewoon kijken en afblijven is dus het parool.

 

-Zwavelzwam (Laetiporus sulphureus)

Zwavelzwam

 Van Hilco Dijk ontving ik wat foto’s van gele exemplaren. Een ervan ziet u hierboven.

 Het vruchtlichaam is veelvormig en is vaak dakpansgewijs geplaatst. Het uiterlijk is gegolfd. In jong stadium is de kleur safraan tot geelrood. In later stadium oranje

 tot dottergeel. Bij het ouder worden verbleken ze wat. De buisjes zijn kort en fin van structuur. In jonge toestand tranen ze wat. De kleur is zwavelgeel tot steenrood. Dat is mede

 afhankelijk van ht soort hout en de grond waarop de nog levende of dode boom zich bevindt.

 Deze soort heeft geen steel.

 Het vlees is geelachtig en dik. Het is sappig en bevat een overvloed aan geel vocht.

 De reuk is opvallend aromatisch. De smaak is zurig.

 U vindt deze soort op levende en dode loofbomen. Het is een echte boomparasiet.

 Deze soort is in jong stadium eetbaar. Eerst sterk afkoken en afgieten is aan te raden. Hij is prima te gebruiken voor droging en verpoedering.

 Let er op, dat er sommige mensen zijn, die van het eten flink ziek kunnen worden. Probeer eerst een kleine hoeveelheid om grote moeilijkheden te voorkomen.

 

-Zadelzwam (Polyporus squamosus)

Zadelzwam

 De hoed (10 tot 30 cm) is ledergeel tot licht eigeel en is met bruine aangedrukte schubjes bedekt. Ze zijn veelal boven elkaar dakpansgewijs geplaatst.

 De buisjes zijn lichtgelig. De openingen zijn eerst klein maar later wijd en dan driehoekig.

 De steel is kort en dik. Hij is excentrisch van vorm. Naar de basis toe verdikt hij zich.

 Het vlees is wit, stevig en taai.

 De reuk heeft iets van zoetig meel.

 De smaak is ietwat scherp.

 U vindt deze soort op loofhoutstompen en dan vooral in het voorjaar.

 Hij is in jonge toestand eetbaar, maar weinig smakelijk. Afblijven dus lijkt het meest logisch!

 

-Elfenbankje (Trametes versicolor)

Elfenbankje

De kleurtekening van deze vrij talrijk voorkomende soort, varieert zeer sterk. De kleurzones vertonen bruine, zwarte en zelfs groene, purperen of blauwe tinten, met tussen

 de zones lichte strepen. Het elfenbankje leeft op allerlei dood hout, maar vooral op oude boomstompen en afgewaaide takken.

 De buisjeslaag is witachtig. De bovenzijde is fluwelig met een variabele streeptekening. Het is dun, leerachtig en staat vaak dakpansgewijs op oud hout.

 Het vlees is wittig en taai.

 Het is zeer talrijk in loof en dennenbossen op dood hout van elke boomsoort.

 Deze soort is nauwelijks eetbaar. Afblijven dus lijkt de beste oplossing.

 

-Fluweelpootje (Collybia) velutipes

Fluweelpootje

De hoed (2 tot 8 cm) is honinggeel en in het midden roestbruin. Hij is aanvankelijk gewelfd en daarna vlakker. De lamellen zijn geelachtig en verhecht met de steel.

 Ze staan breed uiteen.

 De steelis aan de top gelig en heeft verder een bruinzwarte kleur. Hij heeft een versmalde basis en een gestreept uiterlijk.

 Het vlees is geel. De reuk heeft iets van loog. De smaak is gekookt aromatisch.

 U vindt deze soort op levende en dode loofbomen. Uiteraard zijn oude stompen van loofbomen ook een geliefde plaats.

 De groeitijd verloopt van de herfst tot het voorjaar.

 In de winter is het de enige eetbare en te vinden soort. Hij daarbij ook nog erg smakelijk!

 

-Geschubde inktzwam (Coprinus comatus)

Geschubde inktzwam

De hoed is opvallend hoog (tot 15 cm) en is aanvankelijk elliptisch met een stompe top en naar de basis versmallend. Het uitspreiden van de hoed gebeurt pas na het

 vervloeien van de lamellen en daarbij inkorten van de hoed. Hij is bedekt met afstaand aanliggende schubben. De top is vrij glad. De kleur is grauwig wit met okergele

 plekken. De lamellen zijn dun en staan zeer dicht opeen. Ze zijn hoofdzakelijk wit, maar bij de rand iets roze. In later stadium verkleuren ze naar bruinzwart.

 De steel wordt wel 20 cm lang en heeft een losse beweeglijke ring. Hij is hol en versmalt iets naar de top.

 Het vlees is wit en zacht. De reuk is kruidig. De smaak is mild en wat zurig.

 U vindt deze soort in groepen op bemeste grond, in tuinen, langs dijken en aan de wegkanten. Vooral na grondwerkzaamheden wil hij nog wel eens opduiken.

 Deze soort is prima eetbaar mits jong geplukt. Eerst afkoken heeft tot effect, dat de zurige smaak verdwijnt.

 

-Kale inktzwam (Coprinus atramentarius) licht giftig!!!

Kale inktzwam

 De foto is beschikbaar gesteld door Erik.

 De hoed (tot 8 cm hoog) is eerst klokvormig en ziet er gegroefd uit. De kleur is witachtig grijs. In later stadium gaat de hoed iets uitstaan. Dan scheuren de randen

 vaak in. De lamellen staan dicht opeen. Ze zijn witgrijs van kleur en later inktachtig zwart. Ze worden dan enigszins vloeibaar. Overigens is de kleur variant afhankelijk.

 Op de foto ziet u een variant met een bruinige hoed.

 De steel (tot 15 cm hoog) is hol en witvezelig.

 Het vlees is wit. De reuk is zwak, maar aangenaam. De smaak is mild.

 Deze soort komt in groepen voor op vette grond in weiden, tuinen en langs wegen.

 Als u besluit tot het eten van vooral de jongen exemplaren, dan mag u ervoor, tijdens en na het eten geen alcohol gebruiken, omdat dan vergiftigingsverschijnselen op

 gaan treden. De kleinere glimmer inktzwam (meer geelbruin) geeft dezelfde bijverschijnselen.

 Op afstand lijkt het eten dus vooral voor de kenners weggelegd. Bent u niet zeker van uw zaak, blijf er dan gewoon vanaf!

 

-Gele koraalzwam (Clavaria (Ramaria) flava

Gele koraalzwam

 Het vruchtlichaam is ongeveer 15 cm hoog in volgroeid stadium. Hij is zwavel- tot citroengeel. De laatste vertakkingen zijn alle van dezelfde kleur en sterk

 gevorkt. De stronk krijgt op kneusplekken rode vlekken.

 Het vlees is wit en week. In de takken en de toppen is het erg waterig.

 De reuk is kruidachtig. De smaak is dat ook, zij het, dat oudere vruchtlichamen een bittere smaak krijgen.

 U vindt deze soort voornamelijk in loofbossen en dan vooral in de buurt van Beuken.

 In jonge toestand is deze soort prima eetbaar. De oudere exemplaren kunt u beter laten staan.

 Verwisseling kan plaatsvinden met Clavaria mairei Donk. Deze soort is iets bleker van kleur. Enigszins grauwgeel en soms koffiekleurig. Deze soort heeft

 een zeepachtige reuk en is flink giftig. Oppassen dus!

 

-Gouden koraalzwam (Clavaria (Ramaria) aurea

Gouden koraalzwam

 Het vruchtlichaam is in jonge toestand helder goudgeel en later okergeel. De eindtakken zijn 3 of 4 toppig.

 Het vlees is wit , breekbaar en waterig.

 De reuk is zurig en kruidig. De smaak is mild, maar bitter bij oudere exemplaren.

 Deze soort komt vooral voor in naaldbossen en soms in loofbossen.

 Alleen in jonge toestand eetbaar. De oudere exemplaren kunt u beter laten staan.

 Verwisseling is mogelijk met de zwak giftige soort Clavaria formosa Pers. Deze heeft oranje achtige takken, die in citroengele toppen

 eindigen. De stronk is wit. Door de opmerkelijke driekleurigheid is verwisseling echter gemakkelijk te voorkomen.

 

-Overige koraalzwammen

Overige koraalzwammen Overige koraalzwammen1

 Van Rob de Graaf ontving ik een tweetal foto’s van soortjes binnen het geslacht Ramaria. Het gaat hoogstwaarschijnlijk om de soorten Ramaria Stricta en Ramaria

 flaccida. Beide soorten komen in Nederland voor. De paddestoelen zelf moeten het niet hebben van de eetbaarheid, maar vooral van de schoonheid. De foto’s spreken

 in dat opzicht boekdelen. Wilt u meer mooie foto’s zien van paddestoelen alsook Koraalzwammen ga dan naar de website van Rob de Graaf.

 Van Gertie Klarenbeek ontving ik een foto over een varieteit van de Koraalzwammen.

 Daarbij de volgende opmerking:

 Mij is verteld, dat dit een unieke soort Koraalzwam is. De soort komt in Nederland sporadisch voor en is erg giftig.

 Wie weet de naam van deze Koraalzwam?  De foto is gemaakt op 20 dec 2006 in de bossen van “De Lage Vuursche”.

-Vijzel knotszwam (Clavaria (Clavariadelphus) pistillaris

Vijzel knotszwam

Het vruchlichaam lijkt op een rechtopgaande knots en heeft iets van het uiterlijk van sommige kalebassen. Aanvankelijk is hij glad, maar later in de lengte gegroefd.

 De kleur is okergeel, maar aan de top iets roodbruinachtig.

 Het vlees is wit en zacht. De reuk is aangenaam. De smaak is daarentegen bitter.

 Deze soort komt voor onder beuken en dan in groepen. Een kalkrijke bodem is een voorwaarde.

 Deze soort is alleen in zeer jonge toestand eetbaar. Door goed afkoken verdwijnt een deel van de bitterheid.

 Gelijkende en verwante soorten hebben veelal dezelfde eigenschappen.

 

-Hoorn van Overvloed (Craterellus cornucopiodes)

Hoorn van Overvloed

Het vruchtlichaam is trompet- of trechtervormig en heeft een lappig verbogen rand. Hij is hol tot op de bodem. De bovenzijde maar dan eigenlijk de binnenzijde is ietwat

 schubbig. De kleur is zwartgrijs tot zwart.

 De steel (als je daar al van kunt spreken) of buitenzijde is eerst glad en wordt daarna zwak rimpelig. Hij is eerst asgrijs en is in laatste stadium wit bestoven door de sporen.

 Hij ruikt wat naar pruimen. De smaak is mild.

 Deze soort komt in groepen voor in loofbossen en dan vooral onder beuken. De groeitijd ligt rond allerzielen.

 Deze soort is in ons land bijzonder zeldzaam. Als u er al een groepje van vindt, dan maar het liefst laten staan svp!

 Van Joke Overdevest kreeg ik de schoonheid op de 2e foto toegezonden. Na wat onderzoek kwamen we tot dezelfde benaming en indeling. Mocht u als kijker een beter idee hebben,

 dan verneem ik dat graag.

 

-Parelstuifzwam (Lycoperdon perlatum)

Parelstuifzwam

 Het vruchtlichaam ziet er flesvormig uit, maar dan omgekeerd. Het bovenste deel is kogelvormig of iets gepunt en is met breekbare afveegbare stekels bedekt.

 In jong stadium is hij wit om later te verkleuren via gelig en later grijsbruin.

 Het vlees is eerst wit, daarna gelig groenig tot olijfbruin. In rijp stadium wordt hij stofachtig. Bij druk ontsnappen dan de sporen als wolkjes,

 De reuk heeft iets van jodoform. De smaak is mild.

 Deze soort komt voor in allerlei bossen en op de heide.

 Deze soort is in jong stadium goed eetbaar. Datzelfde geldt voor gelijkende soorten. Alle zijn ze eetbaar zolang het vlees wit is.

 Bij goed doorkoken verdwijnt de jodoform geur.

 Van Vanessa Ouweneel ontving ik een mooi foto van een groepje Lycoperdons. Waarschijnlijk gaat het om de variant perlatum. Gezien de kleur (zijn het wat oudere exemplaren?) is dat

 niet echt zeker. Mogelijk heeft u een beter idee.

 

-Peervormige stuifzwam (Lycoperdon pyriforme)

Peervormige stuifzwam

 De vruchtlichamen staan in dichte groepen bijeen en hebben de vorm van een peer. Ze hebben een kleur die verloopt van oker tot bruinachtig.

 De buitenzijde heeft een melig-korrelig uiterlijk en is bezaaid met platte wratachtige groeisels.

 Het vlees is in jong stadium wit. Dat verloopt naar geelgroen tot olijfbruin.

 De reuk is vrij sterk en wat gelijkend op jodium.

 De smaak is mild.

 Deze soort groeit vooral op en bij oude boomstronken. Het is een vrij zeldzame soort.

 Door de zeldzaamheid is afblijven het parool! In jong stadium is de soort alleen eetbaar. Pas na goed doorkoken verdwijnt de jodium geur.

 

-Gewone aardappelbovist (Scleroderma aurantium) flink giftig!!!

Gewone aardappelbovist

 Het vruchtlichaam heeft de vorm en een beetje het uiterlijk van een aardappel vandaar ook de naam.

 De kleur is lichtgeel tot donkerbruin. De dikke buitenlaag is bedekt met op wratten lijkende veldjes.

 Het vlees is aanvankelijk wit. Het verkleurt in later stadium tot donkerviolet en nog later naar zwart. In het laatste stadium barst deze bovist open en verspreidt

 dan de sporen.

 De reuk is onaangenaam scherp, wat op radijs gelijkend.

 U vindt deze soort in dennen- en eikenbossen op zandige bodem.

 Deze soort is flink giftig en oneetbaar. Afblijven dus is het advies.

 

-Zwart wordende bovist (Bovista nigrescens)

Zwart wordende bovist

Het vruchtlichaam heeft ongeveer de grootte van een walnoot of kippenei. Dit lichaam is hol en gevuld met sporenweefsel. In rijp stadium barst het open

 en verspreidt zo de sporen. De buitenzijde van het lichaam is wit en schilfert in de loop der stadia af. Bij rijpheid wordt dat wit vervangen door een glanzende

 zwartbruine kleur. Aan de bovenzijde ontstaat dan een getande spleetvormige opening.

 Het vlees is in jong stadium sneeuwwit.

 De reuk komt in de buurt van jodium. De smaak is mild.

 Deze soort komt voor in weilanden en kort gehouden graslanden.

 De soort is in jong stadium prima eetbaar en smakelijk. De in de duinen voorkomende loodgrijze bovist is (Bovista plumbea)  eveneens eetbaar in jong stadium.

 

-Reuzenbovist (Langermannia gigantea) (ook wel Calvatia Gigantea genaamd)

Reuzenbovist

 (Met dank aan de heer Creemers voor de foto).

 Van de heer Duyck uit Belgie ziet u een foto van een Reuzenbovist met ernaast een schoenmaatje 45. Het wachten is op een foto van een echte joekel.

 Nog een wat groter werd ontdekt door de fam. Arends uit Coevorden. Een laars en een bal geven de maat ongeveer aan.

 Deze opvallend grote Bovisten komen in de nazomer en herfst op diverse plaatsen voor. Daarbij is er geen duidelijk vast patroon in de groeiplaatsen te vinden. Je ziet ze in grasperken,

 tussen huizen en  weilanden maar ook tussen struweel en in open bossen.

 Dat brede leefgebied heeft waarschijnlijk te maken met de enorme aantallen sporen, die de soort elk jaar weer verspreidt.

 De witte groeilichamen zijn in jong stadium goed eetbaar. Ze zijn dan nog stevig en sappig. In een later stadium ontwikkelen zich de sporen en wordt het lichaam groot en vozig.

 De eerst witte kleur van het lichaam verkleurt daarna naar donkerder kleuren.

 Deze Bovist ontleent zijn Nederlandse naam aan het feit, dat hij in ouder stadium flink groot kan worden. De grootte is soms vergelijkbaar met een basketbal of nog groter.

 

 -Voorjaarskluifjeszwam (Gyromitra esculenta) zwaar giftig!!!

Voorjaarskluifjeszwam

 Deze soort ziet er wel heel bijzonder uit. Hij is te vinden in kalkarme dennebossen op zandige grond. De groeitijd ligt hoofdzakelijk in de maaden maart tot mei.

 De hoed is eerst roosbruin en in later stadium koffiebruin. Hij heeft een darm- of hersenachtige winding en is van binnen hol.

 De steel is witachtig, vrij dun en nogal breekbaar.

 De reuk is aangenaam. Let op, dat proeven ervan om de smaak te vinden erg gevaarlijk is.

 De soort is pas eetbaar na 20 minuten afkoken en goed afgieten en naspoelen. Daarna zijn de giftige stoffen grotendeels uitgeschakeld.

 Beter is het er gewoon van af te blijven, omdat ondanks alle voorzorgen er toch een aantal mensen aan het eten van deze soort zijn gestorven.

 Deze soort heeft nogal wat neven en nichten. Zo is er de reuzenkluifjeszwam (Gyromitra gigas), die naast groter (15 tot 20 cm hoog) wat vuilbruin van kleur is.

 Ook door hun zeldzame verschijning is het beter ze te laten staan.

 

-Witte kluifjeszwam (Helvella crispa)

Witte kluifjeszwam

 De hoed is witachtig tot gelig bruin met een onrgelmatig lappig gevouwen uiterlijk.

 De steel is langer dan het hoeddeel. Hij heeft een vaalwitte kleur. In de lengterichting lopen onregelmatige groeven. De binnenzijde is hol en gekamerd.

 Het vlees is bleek en breekbaar.

 De reuk is aangenaam. De smaak is mild. Het heeft wat van een notensmaak.

 U vindt deze soort in de herfst in loofbossen en struikgewas en dan vooral op plaatsen tussen gras en blad.

 Deze soort is afgekookt wel eetbaar maar zwaar verteerbaar. Hij ziet er ook niet smakelijk uit.

 

-Spitse morille (Morchella conica)

Spitse morille

 De hoed is kegelvormig toegespitst met verhoogde lengteribben en wat dieper gelegen dwarsribben. Hij heeft een wafelachtig uiterlijk.

De kleur is vaalbruin. In later stadium wordt hij donkerbruin. Aan de binnenzijde is de hoed hol en glad.

De steel is met de hoed vergroeid en aan de basis wat versmallend.

De reuk is aangenaam en kruidachtig. De smaak is mild.

U vindt deze soort in het voorjaar in lichte bossen, parken en tuinen en dan vooral in kreupelhout.

Hij is prima eetbaar en geschikt om te drogen.

 

-Morille (Morchella esculenta)

Morille

 De hoed is goudgeel tot donkeroker en rond tot eivormig met onregelmatige kuilen bedekt in een soort netwerk structuur. De binnenzijde is glad.

 De steel is wit en enigszins bestoven met naar het lijkt een soort poeder. De basis is verdikt.

 Het vlees is wasachtig wit en bijzonder breekbaar.

 De reuk is aangenaam en enigszins kruidachtig.

 De smaak is mild.

 U vindt deze soort in loofbossen en in parken en dan vooral tussen kreupelhout. De groeitijd loopt van april t/m mei.

 Dit is een uitstekende paddestoel om te eten en te drogen.

 

-Grote stinkzwam (Phallus impudicus) licht giftig!!!

Grote stinkzwam

Dit is weer zo’n bijzondere loot uit de paddestoelen familie

 De groei van de paddestoel zlf is al bijzonder. Eerst ontstaat er deels bovengronds en grotendeels ondergronds een elastisch en week vruchtlichaam.

 In een verder stadium groeit dit lichaam verder uit de grond en opent het zich. Wat dan te zien is, is een tapse steel met kleine hoed, die een beetje vingerhoedvormig is.

 Deze hoed is vergroeid met de steel en ziet er wafelachtig uit. Hij is bedekt met een stinkende slijmerige olijfgroene laag, waarin zich de sporen bevinden.

 De aasgeur van de hoed trekt vliegen aan, die zo de sporen verspreiden. In een volgend stadium ziet de wafelachtige hoed er als een morille uit.

 Vandaar ook de naam stinkmorille!

 De steel is wit en zit vol gaatjes. Hij is hol en naar de top toe versmallend. Aan de basis bevindt zich een lappige beurs. Dat zijn de restanten van de buitenlaag van het

 eerdere ei.

 U vindt deze soort in loofbossen en parken en dan vooral tussen kreupelhout. De vreemde geur verraadt hem al op tientallen meters afstand.

 De soort is nauwelijks eetbaar en licht giftig. Alleen naar kijken dus als u ze vindt!

 

-Kroonbekerzwam (Sarcosphaera eximia) ook (Peziza coronaria) flink giftig!!!

-Kroonbekerzwam

U vindt deze soort in loof- en naaldbossen en dan bij voorkeur op kalrijke gronden.

Het vruchtlichaam ligt eerst in de bodem verzonken. Het is een holle witte kogel, die later stervormig open splijt en onderwijl de aarde er om heen weg

duwt. De kleur verloopt dan naar bleek oker. De binnenzijde van de beker (het kiemvlies) is levendig violet gekleurd.

Het vlees is hard en wit van kleur. Hij is vrijwel reukloos.

Proeven ervan is gevaarlijk. Nalaten dus.

Ook na het afkoken kunnen nog vergiftigingsverschijnselen voorkomen. Het is dus beter deze zeldzame soort ongemoeid te laten.

-Peziza Badia en Repanda etc.

Peziza Badia

Beide soorten zijn voornamelijk te vinden in bosrijke omgeving, zoals zovele soorten binnen dit geslacht.

Bovenstaande foto is beschikbaar besteld door de heer Juffermans.

Veel van de soorten groeien op dood hout van diverse soorten bomen in een humusrijke vochtige omgeving. De eetbaarheid is niet groots en zelfs vanwege mogelijk vergiften af te raden.

Afblijven dus als het om het smikkelen gaat.

 

-Gewimperde aardster (Geastrum rufencens)

Gewimperde aardster

Deze zogenaamde bulkzwammen vallen op door hun bijzondere schoonheid. Als u ze aantreft bewonder
ze dan en laat ze het liefst staan.

 Bij afrijping van de zwam splijt de buitenlaag in 6 tot 8 ongelijke delen. Deze noemt men puntige slippen, die bij het verder indrogen naar buiten omkrullen.

 Daarbij wordt de binnenlaag enigszins omhooggetild. Het vruchtlichaamsdeel aan de top bevat  de sporen, bij lichte druk ontsnappen deze uit de opening aan de bovenzijde.